Platform van interventies bij sociale praktijken en dynamieken

Beginpagina > Nieuws en analyses > Verkiezingen in tijden van hoop

Verkiezingen in tijden van hoop

Volgende maand kiezen we nieuwe gemeentebesturen. Sommigen zien dit als een oefenmatch, een opwarming voor de echte strijd om de kiezer bij de verkiezingen van 2014. Maar wie met een duurzame samenleving begaan is, weet dat de echte macht, de macht van de burgers, zich net vooral op het lokale niveau situeert. Participatie staat dan ook weer volop in de kijker!

Vertrouwen in de politiek ?

Politici beseffen maar al te goed dat een belangrijke inzet van deze verkiezingen is het vertrouwen van de burgers te herwinnen. Uit peilingen blijken politiekers en bankiers ongeveer gelijk te scoren wat geloofwaardigheid betreft: bedroevend laag dus. Contact met de burger, inspraak en participatie zijn dan ook belangrijke thema’s geworden. Enerzijds krijgen de verkozenen een mandaat om gedurende een aantal jaren de burger te ‘vertegenwoordigen’. Anderzijds zijn de problemen waarmee de samenleving worstelt zo complex geworden, dat de klassieke politieke strategieën en discours niet langer vertrouwen inboezemen. De gevestigde politieke families zien hun machtspositie afkalven, het aantal proteststemmen en zwalpende kiezers neemt toe, de verontwaardiging bezet straten en pleinen. Hoe moet dat dan met die inspraak?

Participatief onderzoek brengt inzicht

In het voorbije jaar deed Flora enkele actieonderzoeken die op die vraag een licht werpen. Bij groepen (kwetsbare) burgers – in onze methodologie als mede-experts betrokken - legden we ons oor te luisteren om te leren hoe het beleid beter aan hun noden kan beantwoorden (1). Daarbij keken we natuurlijk door onze vertrouwde bril, het 5-TWIN kader (2). Jarenlang actieonderzoek met kansarme vrouwen (en mannen) heeft geleerd dat de ‘levenskwaliteit’ van een individu, een organisatie of een samenleving afhangt van het evenwicht tussen vier rollen. Dat evenwicht wordt echter door sociale constructies en machtsmechanismen verstoord, met ongelijkheid, armoede en onrecht als gevolg. Het dominante socio-economische denken reduceert arbeid immers tot ‘loonarbeid’ of (monetair vergoede) productieve arbeid. Onze analyse maakt zichtbaar dat (sociale en ecologische) duurzaamheid maar mogelijk is als die ‘productiviteit’ in evenwicht wordt gehouden met zelfarbeid (persoonlijk welzijn en ontplooiing van ieders talenten), sociale arbeid (kunnen terugvallen op en bijdragen tot een collectiviteit) en zorgarbeid (zorg dragen voor de noden van de verschillende generaties). Doordat de logica van de productieve arbeid in de kapitalistische samenleving zo allesoverheersend is geworden, dient het bewaken (of herstellen) van het evenwicht als een vijfde belangrijke rol te worden beschouwd, en dat is bij uitstek een taak voor de politiek. Het kunnen blootleggen en bestrijden van maatschappelijke constructies met nefaste gevolgen voor de samenleving, is met andere woorden een sleutelvaardigheid met het oog op de transitie naar een meer duurzame samenleving (3).

Politiek als vormgeven aan het samenleven

Laat ons even in herinnering brengen waar politiek eigenlijk om draait. Het woord is afgeleid van het Griekse woord ‘polis’. De polis – of stadsstaat – was in het oude Griekenland de politieke eenheid waarin de samenleving geordend was. Politiek gaat dan ook over het “regelen van het samenleven”. Als ze goed functioneert, draagt de samenleving bij tot het welzijn – ook materieel – van al haar leden, tot goede sociale verhoudingen en zorg voor de opeenvolgende generaties. Vandaag verliezen politici dat uit het oog wanneer ze stellen dat het doel van hun beleid is om de economische groei te stimuleren (of de economie te redden door allerlei bezuinigingen, naargelang het standpunt). Het garanderen van materiële welvaart is dus het overheersende doel geworden. Men doet het uitschijnen alsof economische welvaart een voldoende voorwaarde is voor welzijn en sociale rechtvaardigheid. Dat hangt dan weer samen met het feit dat alle functies die de samenleving voor haar burgers moet garanderen, vandaag in financiële diensten of transacties worden vertaald. Zo wordt ‘solidariteit’ verengd tot ‘sociale zekerheid’, dat op zijn beurt verengd wordt tot ‘financiële steun’; en daar hebben mensen bovendien pas recht op als ze aan de productieve arbeid deelnemen (4). Een bepaalde maatschappelijke functie of rol wordt door de kapitalistische economie maar als ‘arbeid’ erkend, indien ze in (monetaire) ‘productiviteit’ (gemeten in BNP of winst…) omgezet wordt. Je eigen kind opvoeden telt dus niet mee als arbeid, maar in ruil voor geld het kind van anderen opvoeden wel. Je buren helpen of je inzetten voor je buurt geldt niet als arbeid, als professioneel in de welzijnssector of het buurtopbouwwerk werken wel. Om mee te tellen, moeten al die rollen dus via de arbeidsmarkt worden verdeeld en gevaloriseerd. Die ‘markt’ functioneert echter overwegend op basis van onderlinge concurrentie; zo heeft Europa wel een commissaris voor concurrentie, maar niet voor samenwerking of solidariteit. Sterker nog, uit onderzoek blijkt dat geld egoïstisch gedrag versterkt en solidariteit en vertrouwen tussen mensen ondermijnt (5). Die marktlogica lijkt dan ook haaks te staan op het politieke doel van ‘goed samenleven’ ! De schrijnende armoedecijfers en de ecologische rampen tonen bovendien aan dat de economie er zelfs niet in slaagt om het materieel welzijn van alle burgers te garanderen. Politiek kan en mag dus niet langer tot economie en marktdenken gereduceerd worden, maar moet weer in eerste instantie de vraag stellen: ‘welke samenleving willen we eigenlijk?’

Tijd voor een nieuw politiek paradigma

De grote crisissen die we vandaag beleven, is geen tijdelijke hapering van een overigens goed functionerend systeem, maar tonen aan dat het systeem zelf – het paradigma van waaruit het functioneren van de samenleving wordt gedacht – aan bijsturing toe is. Want niet alleen de samenleving en de biosfeer kreunen onder de dictatuur van de productiviteit, ook de economie zelf zit in moeilijke papieren. De financiële crisis die we vandaag beleven, werd veroorzaakt doordat banken onverantwoorde risico’s namen om snel hoge winsten te kunnen maken. Banken zijn zo groot geworden dat een faillissement heel wat spaarders zou treffen. Daarom zien overheden zich verplicht om de noodlijdende banken te hulp te komen. Ze gaan dus bij de banken geld lenen om andere banken te redden, zodat de overheidsschuld omhoog gaat. En omdat hun deficit stijgt, krijgen diezelfde overheden vervolgens van ratingbureaus een negatieve beoordeling, en worden ze onder druk gezet om de sociale vangnetten die zo geleidelijk hebben opgebouwd, weer af te bouwen! Door het feit dat bankengeld het enige erkende ‘ruilmiddel’ is, ontstaat dus een vicieuze cirkel van jewelste (6), waarvan meer en meer Europese landen de gevolgen beginnen te voelen. De criteria die gehanteerd worden om de ‘gezondheid’ van een economie te beoordelen, verwijzen niet naar de staat van de samenleving en de planeet waarin die economie is ingebed. Er wordt niet gevraagd hoeveel mensen een kwaliteitsvol leven hebben en in hun materiële noden kunnen voorzien, maar enkel hoeveel er wordt geproduceerd en hoeveel het bruto binnenlands product (in monetaire termen uitgedrukt) bedraagt. Om de economie te beoordelen, worden dus alleen… economische criteria gehanteerd, terwijl politieke en ecologische maatstaven buiten beeld blijven. Omdat er op bankengeld interest betaald moet worden, en er dus steeds meer geproduceerd moet worden, wordt ‘meer’ economie (of ‘groei’) automatisch als ‘beter’ bestempeld, terwijl intussen de ecologische en sociale schade van dat groeiscenario maar blijft toenemen.

Politiek als uitweg uit de crisis

Economie wordt zo een doel op zich, terwijl het repareren van de schade die daarbij aan de planeet of het sociaal weefsel wordt berokkend, op de politiek wordt afgewenteld. De politiek laat zich dus gijzelen door een economie die alleen zichzelf als waardemeter hanteert. Geen wonder dus dat de kiezer nog weinig vertrouwen heeft in het vermogen van de politiek om het samenleven goed te regelen! De huidige crisissen maken pijnlijk duidelijk dat politiek moet ophouden zich ten dienste te stellen van een economie die alleen haar eigen groei als doel heeft, en opnieuw het welzijn van de samenleving tot haar hoofddoel moet maken. Alleen zo kan ze het vertrouwen van de burgers herwinnen. Het voorzien in de materiële noden is daar (slechts) één element van, en het stimuleren van een concurrentiële marktwerking (slechts) één strategie. Om het vertrouwen te herwinnen, moeten dus ook andere rollen – en andere manieren om die rollen te stimuleren en te valoriseren – op de beleidskaart worden gezet. Het is de hoogste tijd om de politieke vraag – hoe regelen we het samenleven ? – weer op het voorplan te plaatsen en de productieve arbeid in evenwicht te brengen met welzijn, sociaal kapitaal en de zorg (en een leefbare planeet) voor de opeenvolgende generaties. De vraag is natuurlijk: hoe begin je daaraan? Hoe kan de politiek ‘outside the box’ gaan denken en weer tot een leefbare samenleving bijdragen?

Onbenut politiek potentieel

Het onderzoek dat Flora de voorbije jaren uitvoerde, laat toe om ook op die laatste vraag een aanzet tot antwoord te formuleren. Zo maken senioren, alleenstaande moeders en kwetsbare vrouwen van vreemde origine ons duidelijk dat ze bij elkaar heel wat morele en praktische steun kunnen vinden. Als ze zien dat ze niet de enigen zijn die in een moeilijke situatie verkeren, sterkt hen dat. Ze helpen elkaar bij praktische of administratieve problemen, en halen elkaar uit het isolement. Vaak komen ze uit culturen waar het de gemeenschap of de familie is die oplossingen voor sociale problemen aanreikt. Bij elkaar vinden ze weer een vorm van ‘gemeenschap’ die maakt dat ze zich minder geïsoleerd voelen. In feite was dat het meest verrassende resultaat van diverse onderzoeksprojecten. Dat kwetsbare burgers ook nood hebben aan goed functionerende diensten – voor huisvesting, opleiding, mobiliteit, gezondheid, … - staat buiten kijf. De overheid moet dus zeker blijven inzetten op het toegankelijk maken van die diensten voor de meest kwetsbare groepen. Maar dat mensen in feite ook een bron van onderlinge hulp kunnen zijn, en dus niet alleen ‘cliënt’ maar ook ‘coproducent’ van diensten voor hun medeburgers kunnen zijn, is vanuit beleidsstandpunt een volstrekt nieuw inzicht met een gigantisch potentieel. Waar de markt tekortschiet om in de noden van bepaalde groepen te voorzien, of waar openbare diensten er (bij gebrek aan middelen of expertise) niet altijd in slagen om de meest kwetsbare groepen te bereiken, kunnen de burgers zelf maatschappelijke oplossingen aanreiken (7)!

Een Beleidskader voor coproductie

Een belangrijke factor daarbij is uiteraard dat burgers een plek hebben waar ze elkaar kunnen ontmoeten en zorg voor elkaar kunnen opnemen. Daarvoor bestaan twee pistes. Ten eerste kan een bestaande dienst of organisatie ruimte en tijd creëren voor ontmoeting, uitwisseling en samenwerking. Voor alleenstaande ouders kan een crèche die rol vervullen. Ook de sociale economie, waar participatief werken hoog in het vaandel staat, is vaak een plek waar de meest kwetsbare mensen – “van ik naar wij” – tot een collectief project kunnen bijdragen, of waar uiterst gevoelige thema’s (zoals bijvoorbeeld familiaal geweld, eenouderschap…) op een veilige, anonieme wijze bespreekbaar gemaakt kunnen worden. Die ‘transversale’ (of ‘brede’) werking van organisaties waar de doelgroep toegang toe heeft, kan dus een sterke politieke hefboom zijn. Ten tweede kan de ontmoeting zich ook gewoon op het niveau van het buurtleven afspelen. Als senioren van diverse herkomst een ontmoetingsplek krijgen waar ze elkaar kunnen ontmoeten en samen met andere bewoners activiteiten kunnen ontwikkelen, draagt dit bij tot hun levenskwaliteit en tot een aangenamere buurt (8). Ook alleenstaande ouders – die vaak te klein behuisd zijn om mensen te kunnen ontvangen, terwijl hun budget te krap is om op café of restaurant te kunnen gaan – zijn vragende partij voor ruimtes waar ze elkaar kunnen helpen om oplossingen te vinden voor hun problemen. Het is dan ook van belang om dit soort initiatieven als ‘politiek kapitaal’ te onderkennen en te ondersteunen. Een belangrijke opdracht voor het beleid is dan ook om de mogelijkheden van coproductie te onderkennen, te stimuleren en te valoriseren. Uiteraard blijft er nood aan professionele diensten waar mensen terecht kunnen voor huisvesting, tewerkstelling, kinderopvang, financiële steun, veiligheid, enzovoort. En natuurlijk moeten die diensten nog meer worden afgestemd op de specifieke noden van de meest kwetsbaren. Maar alle maatschappelijke noden in professionele (dus monetair vergoede) dienstverlening vertalen, lost het probleem van de ongelijke kansen niet ten gronde op, of kan zelfs de solidariteit onder druk zetten en het sociaal kapitaal verzwakken. Mensen – ongeacht hun talenten – laten bijdragen tot een kwaliteitsvol leven in de eigen buurt of stad, opent wat dat betreft ongekende perspectieven. In deze crisistijden moet lokale politiek dus op een ‘ecologie’ aan pistes berusten, diverse elkaar aanvullende strategieën die samen de maatschappelijke veerkracht versterken en tot duurzame oplossingen kunnen bijdragen.

Voor het aanbieden van ‘verbeterde’ overheidsdiensten en het versterken van de toegang van burgers tot die diensten gebruiken we de term ‘government’, omdat het uiteindelijk blijft gaan om diensten die centraal, ‘van bovenuit’ worden aangeboden. De echt innovatieve pistes betreffen echter het versterken van het politiek kapitaal van onderuit – de transversale werking van lokale organisaties en de coproductie met groepen van burgers. Voor deze pistes gebruiken we de term ‘governance’. Beide soorten van beleid blijken elkaar ook onderling te kunnen versterken. Doordat groepen burgers of organisaties een aantal taken opnemen, kunnen de ‘gespecialiseerde’ diensten zich meer focussen op hun kerntaak. Ook helpen mensen elkaar soms om de weg naar professionele diensten te vinden, zodat die er beter in slagen om ook de kwetsbare burgers te bereiken.

En dus… welke participatie?

De manier waarop zowel de transversale werking van het lokale middenveld als processen van coproductie door het beleid kunnen worden ondersteund, moet zeker nog verder in kaart worden gebracht (9). Wel is duidelijk dat op het lokale niveau de mogelijkheden om projecten over diverse beleidsdomeinen heen (seniorenzorg, cultuur, groenvoorziening, onderwijs, sport…) op te zetten, groter is dan op het landelijke niveau, waar bevoegdheidsdomeinen (en hun respectieve budgetten) veel sterker in wettelijke kaders zijn vastgelegd. De lokale politiek is dan ook bij uitstek het niveau waarop de veerkracht van de samenleving kan worden hersteld. Het is duidelijk dat ‘participatie’ op lokaal niveau niet beperkt mag blijven tot het organiseren van informatiesessies of andere inspraakmomenten. Deze hebben wel hun plek in de ‘government’ pistes. Participatie binnen de governance-pistes gaat echter veel verder dan dat, en gaat ook over samen-doen, mogen meedoen. Co-productie gaat uit van de diensten die burgers elkaar kunnen bieden, de hulp die buren elkaar bieden, de inzet van bewoners voor hun wijk of dorp. Dat samen-doen versterken en valoriseren – al dan niet met een complementair muntsysteem – is de taak van het beleid. Dat moet een context creëren waarin lokale organisaties en burgers ideeën en initiatieven kunnen ontplooien, en het moet hen daar ruimte en middelen voor geven. Het lokale beleidsniveau kan dus – in tijden van crisis – een motor voor maatschappelijke innovatie en transitie worden. Om te vermijden dat dit te versnipperd blijft, en dat buurten, steden en gemeenten elk in hun hoek het warm water gaan uitvinden, is ook netwerking, uitwisseling en praktijkonderzoek een belangrijk beleidsinstrument. Flora houdt zich warm aanbevolen !


(1) Het eerste betrof het een onderzoek naar de leefwereld en culturele praktijken van eenoudergezinnen van vreemde origine, wat ook een luik ‘beleidsaanbevelingen’ bevatte. Zie link. Het tweede was een methodologisch vooronderzoek naar de problematiek van familiaal geweld in een context van migratie. Verder leveren ook de projecten ‘Van Ik naar Wij’ heel wat inzichten op over hoe participatie vorm kan krijgen.

(2) Dit is een afkorting voor ’Five Types of Work Integrating Network’, een kader dat via horizontale relaties een integratie van vijf rollen (of vormen van arbeid die nodig zijn voor het functioneren van de samenleving) in beeld brengt. Dit staat tegenover een patriarchale visie op arbeid, die één vorm van arbeid boven andere stelt. Productieve arbeid wordt meer gewaardeerd dan bijvoorbeeld zorgarbeid, waardoor een strijd om de toegang tot die dominante rol en sociale ongelijkheid ontstaat.

(3) We spreken hier in feite van een genderanalyse. Die legt maatschappelijke constructies bloot die maken dat bepaalde sociale groepen al dan niet toegang hebben tot een positie van (economische, politieke of culturele) macht – ‘empowerment’. Die breuklijn slaat in eerste instantie op het geslacht, omdat mensen altijd man OF vrouw zijn, en dit onmiskenbaar een verschil uitmaakt. Maar ook tussen groepen vrouwen (en mannen) bestaat ongelijkheid. Zo hebben alleenstaande ouders moeilijker toegang tot bepaalde rollen – of ‘vormen van arbeid’ – dan andere sociale groepen: ze hebben bijvoorbeeld een slechter zelfbeeld en lijden onder sociaal isolement. Mensen met een bepaalde huidskleur, seksuele voorkeur of handicap stoten dan weer tegen andere drempels aan. De genderanalyse moet dan ook altijd oog hebben voor de ervaringen van diverse groepen van mannen en vrouwen. Ze helpt ons steeds voor ogen te houden dat mensen ‘verschillend’ zijn (man/vrouw, hooggeschoold/laaggeschoold, enzovoort) en dat politieke maatregelen dus nooit voor iedereen dezelfde impact kunnen hebben. Het 5-TWIN-kader vormt de neerslag van jarenlang actieonderzoek vertrekkend van de ervaringen van diverse groepen van vrouwen (en mannen), en vormt dus een efficiënt en pertinent hulpmiddel voor het maken van genderanalyses.

(4) Het leefloon van het OCMW vormt hierop een uitzondering, maar ook daar is de druk tot ‘activering’ (lees: ‘toeleiden naar de arbeidsmarkt’) voelbaar. Dit wordt vaak vertolkt onder het motto ‘voor wat, hoort wat’, waaronder verstaan wordt ‘bijdragen tot de economische groei’, eerder dan ‘bijdragen tot het samenleven’. Ook de solidariteit (sociale arbeid) wordt zo aan de productieve arbeid ondergeschikt gemaakt.

(5) Lietaer, B., et al. (2012). Money and sustainability, the missing link. A report from the Club of Rome. Axminster: Triarchy Press, pp. 109-115.

(6) Zo voerde Frankrijk in 1973 een wet in die bepaalde dat de overheid alleen nog van de privésector mocht lenen (en dus interest aan de banken betaalt). Vandaag bedraagt de Franse overheidsschuld 78 percent, terwijl hij zonder die wet slechts 8,6 percent zou bedragen (Lietaer et al, o.c., pp 125-128).

(7) In de internationale literatuur wordt ook over ‘collaborative consumption’ of ‘cocreation’ gesproken. In alle gevallen gaat het erom dat het vermogen van de samenleving om bepaalde functies te vervullen en noden te beantwoorden, wordt hersteld. Zie bijvoorbeeld Ezio Manzini.

(8) Cortier, E. et al (2012) Vergrijzing in een multiculturele en kansarme buurt, een buurthuis als antwoord. In: Holemans, D. (red.) (2012) Mensen maken de stad. Berchem: EPO, pp. 225-230.

(9) Zo wordt de transversale werking van diensten die met kansarme mensen werken door een bepaalde beleidslogica soms juist verengd. Hun missie om ‘kwetsbare groepen de kans te geven aan het leven van de gemeenschap deel te hebben’ wordt daardoor versmald tot ‘activeren van individuen in functie van de arbeidsmarkt’. Flora wijdt aan deze problematiek een studiedag op 25 oktober 2012.