Platform van interventies bij sociale praktijken en dynamieken

Beginpagina > Nieuws en analyses > Groeien met toekomst…?

Groeien met toekomst…?

Had u dat vroeger ook, dat dubbele gevoel bij de start van een nieuw schooljaar? Dat na de vrijheid en beweeglijkheid van de zomer weer dat keurslijf van uurroosters, leerdoelen en toetsen opdoemt, geeft een wee gevoel. Maar de nieuwe schriften, pennen en passers leken toch ook te belofte in te houden dat er een fris en opwindend verhaal kon groeien dat “toekomst” heet…

Zou dit gevoel voor jongeren van vandaag nog herkenbaar zijn? Volgens internationale rapporten lopen kwetsbare jongeren een onaanvaardbaar grote achterstand op. Velen onder hen verlaten de school zonder een diploma dat toelaat een fatsoenlijk bestaan uit te bouwen. Om deze wantoestand weg te werken, worden voorstellen gedaan om de onderwijsinstellingen te hervormen, de studiekeuze uit te stellen, de taken van de school te verbreden, de sociale mix in scholen te versterken, enzovoort. En steevast komt daarop de reactie dat dit het ‘niveau’ van het onderwijs omlaag zal halen, dat het nefast is voor de sterkere leerlingen, of dat ‘de economie’ van deze hervorming niet competitiever wordt. De eerste vraag is dus wat de functie van het onderwijs moet zijn. Moet het alle kinderen de kans geven op te groeien met een faire kans op zelfontplooiing, uitzicht op een rol in de samenleving en een fatsoenlijk leven, ongeacht hun talenten? Of moet het kinderen vooral ‘inzetbaar’ maken in de concurrentiestrijd tussen bedrijven? Moet de school productieve arbeid als enige toetssteen voor haar functie hanteren, of moet er ook ruimte zijn voor de andere vormen van arbeid die een leefbare wereld nodig heeft?

De verhouding tussen onderwijs en economie lijkt dus de kern van de discussie te vormen. Moeten opvoeding en zorgarbeid bijdragen tot gelijke kansen voor allen (een maatschappelijk en politiek doel) of tot de versterking van de productiviteit en de concurrentiepositie van bedrijven (een bedrijfsdoel) ? Het 5-TWIN analysekader toont dat die vormen van arbeid met elkaar samenhangen, dat zorgarbeid bijvoorbeeld ook inhoudt dat de volgende generaties de vaardigheden meekrijgen om in hun materiële noden te voorzien. Maar vandaag wordt productieve arbeid gemonopoliseerd door een economisch systeem dat vooral de onmiddellijke materiële belangen van een kleine groep dient, en dat door vervuiling, klimaatopwarming en uitputting van grondstoffen de kansen van toekomstige generaties ondermijnt. Dan is het toch buitengewoon cynisch om te stellen dat het onderwijs in de eerste plaats kinderen moet opleiden tot ‘bruikbare’ krachten voor diezelfde economie?

Gelukkig begint ook in de wetenschap dit inzicht door te dringen, en wordt opnieuw de vraag gesteld naar de ‘functies’ (of de rollen), om pas daarna te vragen welke ‘instituties’, producten, diensten of organisaties deze functies het beste kunnen vervullen. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Om de klimaatopwarming te bestrijden, volstaat het niet om een zuiniger auto te maken, want zolang de economische productiviteit moet blijven groeien, zullen er steeds meer auto’s gemaakt worden en is het eindresultaat toch negatief. Als je een auto maakt die vijf procent zuiniger is, maar je verkoopt er twintig procent meer van, dan nemen energieverbruik en vervuiling met vijftien procent toe. De auto als ‘product’ is het dominante antwoord op de maatschappelijke nood aan mobiliteit. Echter, niet iedereen kan of wil zich een auto aanschaffen, en wie dat wel doet, staat geregeld vast in de file. En dan hebben we het nog niet over de onveiligheid en vervuiling van de publieke ruimte.

Een duurzame benadering is dus om opnieuw van de ‘functie’ te vertrekken, en na te denken over hoe we onze mobiliteit kunnen organiseren. Mobiliteit is bovendien geen doel op zich, maar moet mensen de beweeglijkheid geven om diverse rollen te kunnen uitoefenen en combineren. Die nood hangt dan weer af van de wijze waarop onze dorpen en steden georganiseerd zijn, van de afstand tussen de plek waar we wonen en de plek waar we school lopen, werken, voedsel produceren en inkopen doen. Als je groene ruimte in je buurt hebt, hoef je niet ver te rijden om je te ontspannen. Als alles op lokale schaal wordt georganiseerd, heb je voor mobiliteit dus niet veel meer nodig dan een voldoende fysieke conditie, eventueel een fiets en voldoende ‘trage wegen’. Voor verre verplaatsingen of grote inkopen of kan je beroep doen op openbaar vervoer of autodelen. Door opnieuw naar functies te kijken, en ons niet blind te staren op de producten, ontstaat echte innovatie, totaal nieuwe en duurzame manieren om de maatschappelijke noden te beantwoorden.

Heel wat van dit soort innovaties worden vandaag verkend. Autodelen, co-housing, plukboerderijen, stadslandbouw, ruilhandel en buurtcrèches, het zijn allemaal voorbeelden van hoe mensen buiten de erkende instituties om nieuwe samenwerkingsvormen ontwikkelen om hun noden te vervullen. Ze doorbreken het idee dat we dat alleen maar kunnen doen door producten te kopen. Als je een gaatje in de muur wil maken om een schilderij op te hangen, moet je dus niet automatisch denken dat je een boormachine moet kopen. Als mijn buurman met zijn boormachine voor mij dat gaatje komt maken, en ik in ruil iets voor hem kan doen waar ik dan weer goed in ben (soep maken, om maar iets te noemen), is het probleem ook opgelost, en wel op een manier die mijn ecologische voetafdruk niet vergroot en die de sociale band met mijn buur kan versterken.

Natuurlijk is dit maar een begin. Verwachten dat lokale initiatieven alle economische en ecologische problemen zullen oplossen, is uiteraard niet realistisch. Waar het om gaat is dat we niet langer naar ‘productieve arbeid’ kijken als de enige manier om alle functies te vervullen, maar dat we ook weer samenwerking, solidariteit, ruilen en helpen als evenwaardige hulpbronnen beschouwen. Ook bedrijven onderzoeken vandaag hoe ze kunnen loskomen uit een systeem waarin de monetaire winst voor ‘aandeelhouders’ als enige indicator voor goede bedrijfsvoering geldt. In de nieuwe economische modellen wordt de impact van het bedrijf op allerlei ‘belanghebbenden’ – inclusief de planeet – in kaart gebracht. Door met elkaar te overleggen en samen nieuwe indicatoren uit te werken, zoeken ze hoe ze hun productieve rol meer in balans kunnen brengen met hun sociale rol, hoe ze een positieve impact op het welzijn van mensen kunnen hebben en de grenzen van de planeet voldoende kunnen respecteren om de volgende generatie een leefbare omgeving na te laten. De politiek zou nu moeten onderzoeken hoe ze – bijvoorbeeld door het introduceren van complementaire muntsystemen en het aanpassen van wetgeving en fiscaliteit – dit soort veerkrachtige initiatieven kan versterken.

Er is dus heel wat creativiteit en talent nodig om tijdig te beantwoorden aan de noden van vandaag. Dat het anders moet, en innovatie nodig is, is duidelijk. Als het onderwijs jonge mensen “toekomst” wil laten schrijven, moet ze dus vooral ruimte laten om opnieuw over maatschappelijke functies na te denken. Het moet hen stimuleren om creatieve manieren te bedenken waarop mensen zich samen kunnen organiseren om zo efficiënt mogelijk – voor een zo groot mogelijk aantal mensen – aan die noden te beantwoorden, zonder de andere functies in het gedrang te brengen. In die context moet ‘economie’ opnieuw verwijzen naar een maatschappelijke functie, namelijk het garanderen van een fatsoenlijk bestaan voor alle mensen. De economische instellingen die we vandaag kennen, vervullen die functie niet. Dat de economie zich moet ‘herstellen’, betekent dus niet dat heersende economische instellingen hun ding moeten kunnen blijven doen. Het betekent dat het vermogen van de samenleving om al haar leden een treffelijk bestaan te bieden, moet worden versterkt. Dat zal dus instellingen en organisatievormen vereisen die niet langer in naam van de competitie de planeet en het sociaal weefsel vernietigen. Leren denken in termen van functies, rollen en vormen van arbeid, en oog hebben voor de samenhang en het noodzakelijke evenwicht tussen die functies, lijkt ons een basisvaardigheid voor alle jongeren van vandaag. Een onderwijsbeleid dat die vaardigheden versterkt, schrijft “toekomst”.

De vraag is dus niet:” hoe kunnen we de talenten van jongeren gebruiken om onze economische machine op koers te houden – en liefst ook de koers te winnen…-?” De vraag luidt alleen “hoe kunnen we jonge mensen de ruimte en de aanmoediging geven om de samenleving van morgen – hun samenleving – zo mooi mogelijk te verzinnen en zo goed mogelijk te realiseren?” Mensen en organisaties die vandaag al nieuwe dingen uitproberen, zijn dus misschien wel hun beste leermeesters. Door hen bij elkaar te brengen en samen nieuwe modellen te ontwikkelen, probeert Flora dat collectieve leerproces te versterken. We wensen u een leerrijk werkjaar toe !


Anne Snick