Platform van interventies bij sociale praktijken en dynamieken

Beginpagina > Nieuws en analyses > Emancipatie: alleen een vraag van vrouwen?

Emancipatie: alleen een vraag van vrouwen?

Begin december verschijnt Knack Extra verkocht samen met Knack magazine. Het is een goed initiatief van Knack om een speciaal nummer te wijden aan de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Het gaat immers om een schandalige toestand die haast niet meer als zodanig onderkend wordt, deels omdat hij in het dagelijkse berichtgeving in het niet verdwijnt tegenover andere, ‘dringender’ onheilstijdingen, deels omdat we zo gewend zijn geraakt aan de ongelijkheid dat we ze misschien als onvermijdelijk zijn gaan beschouwen. Het feit dat de media niet systematisch de berichtgeving over alle maatschappelijke thema’s vanuit gender analyseren, draagt bij tot die verdwijntruc en tot die gewenning. Maar goed, een speciaal nummer van Knack, het is een start.

De vraag: ‘welke emancipatie kunnen vrouwen aan?’ op de cover als hoofdvraag naar voren schuiven, kan echter al veel minder door de beugel. De vraag wekt de indruk dat het voor iedereen duidelijk is wat ‘emancipatie’ inhoudt. Op de inhoud van de meeste artikels afgaand lijkt dit in te houden dat vrouwen zich conformeren aan het model van de succesvolle, machtige man (de topmanager en toppoliticus), en zich bevrijden van het juk van de zorgarbeid (evenzeer naar het model van het gros van de mannen). Nu is dit ‘gelijkheidsstreven’ maar één strategie binnen het feminisme, één waar weinig discussie over is. Een meer gelijke verdeling van kansen en inspanningen, daar kan niemand tegen zijn. En dat sommige vrouwen mannen al een pluim geven voor een ‘intentieverklaring’ in de vorm van een fotootje van de kinderen op kantoor, terwijl andere vinden dat ze de heren daarmee te makkelijk laten wegkomen, wijst echt niet op een fundamenteel meningsverschil binnen de vrouwenbeweging, laat ons wel wezen.

Een tweede groot probleem met de Knack Special is dat vrouwenemancipatie voorgesteld wordt als een kwestie van individuele keuzes en eigenschappen. De vraag op pag. 13 ‘wat is gender?’ wordt impliciet al zeer tendentieus beantwoord door vraag of deze of gene mevrouw een aandeel heeft in de bankencrisis ‘omdat ze een vrouw is’. Van daar af wordt het artikel ronduit intellectueel incorrect. De stelling dat meer vrouwen in het parlement de kwaliteit van het politieke debat zou kunnen verhogen, wordt onderuit gehaald door een paar individuele vrouwen in leidinggevende posities op te voeren die ook ‘haantjesgedrag’ vertonen. Dat is zoiets als de algemene stelling dat mannen over het algemeen groter zijn dan vrouwen te weerleggen door een specifiek koppel op te voeren waar het net omgekeerd is. Dit gaat gewoonweg tegen de regels van logisch correct redeneren in, en stelt bovendien de dames in kwestie - evenals het feminisme als denkrichting - in een dubieus daglicht, wat neerkomt op een ad hominem argument, en dus ook ongeldig is.

Het artikel van Walter Pauli verduidelijkt geenszins de notie ‘gender’, maar trekt er juist een dikke mist overheen. Een klein beetje opzoekwerk had nochtans volstaan om de boeiende geschiedenis van het concept gender te rconstrueren. Want dat die discussies zich ook binnen het feminisme hebben voltrokken, is duidelijk. Feministische denkers hebben heeft er geen moeite mee om hun standpunten en concepten continu aan de realiteit te toetsen en bij te sturen. Een korte recapitulatie: de notie gender maakt zichtbaar dat de rollen die mannen en vrouwen opnemen, niet vastgelegd zijn door biologische eigenschappen maar door maatschappelijke constructies. Het is niet omdat mannen geen borstvoeding kunnen geven, dat ze zorg voor de toekomstige generaties niet (bvb als argument in hun economisch denken en handelen) zouden kunnen opnemen. Het interessante is dat meer en meer mannen dat vandaag als dringende maatschappelijke noodzaak onderkennen, ook al noemen ze dat liever ‘het werken aan duurzaamheid’ dan ‘het opnemen van zorgarbeid’; maar goed, zolang ze het maar doen!

Pauli’s stelling dat de rollen die vrouwen al dan niet opnemen ‘geen zaak meer is de partner’ slaat dan ook nergens op. De maatschappij (die de laatste eeuwen toch vooral door mannelijke politici en academici geordend is) heeft nu eenmaal bedacht dat voor je eigen kind zorgen, geen arbeid is, maar voor een kind van een ander zorgen en daar geld voor krijgen, dat wel is. Nou, binnen die absurde regels mogen, nee, moeten vrouwen dus ‘kiezen’ of ze liever hun eigen kind opvoeden (dus niet werken) dan wel die van een ander koppel (dus carrière maken in de kinderopvang). Die regel gaat nu in vanaf een week of veertien na de geboorte van het kind, maar als je het principe doortrekt moet je misschien draagmoederschap als economische branche gaan verkennen. Als we niet alleen het opvoeden, maar ook het baren van elkaars kinderen als productieve arbeid definiëren, dan zijn we van die veertien ‘onproductieve’ weken af. Alweer een drempel minder in de carrièrekansen van vrouwen: overtuig je werkgever dat je je kind niet zal baren, maar ‘kopen’, en hij zal je met een geruster hart aanwerven of in je vorming investeren. In dat scenario zouden vrouwen die toch beslissen hun eigen kinderen te baren dus – afgemeten aan de criteria die hooggeleerde en invloedrijke heren voor onze samenleving gedefinieerd hebben – dus kiezen om niet te emanciperen. Volgt u nog?

De eerste feministes hebben inderdaad de concurrentie met mannen aangegaan om te tonen dat vrouwen net zo goed ‘mannelijke’ rollen kunnen opnemen. Dat was de eerste gender-strategie: ‘women in development’ (of WID), waarbij de notie ‘ontwikkeling ‘ (development) zelf binnen het door mannen ontworpen socio-economische model bleef. Zeer spoedig hebben de Afro-amerikaanse feministes er die dames op gewezen dat zij nu wel carrière konden maken, maar dat ze dat alleen maar konden doordat ze aan hen – de gekleurde, laaggeschoolde, kansarme vrouwen –de vermaledijde zorgarbeid overlieten. De machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd dus verlegd naar één tussen vrouwen onderling. Dat leidde tot een tweede invulling van gender: je lost het probleem van de zorgarbeid niet op met vrouwen alleen (want dan houd je je laaggeschoolde zusters in de positie die je zelf bestreden hebt). Ook de mannen moeten mee de zorgarbeid opnemen, zodat ‘emancipatie van de vrouw’ een zaak van beide seksen wordt, zeg maar. Strategieën die daarop inzetten worden met ‘Gender as development’ (GAD) aangeduid. Nog steeds staat de notie ‘ontwikkeling daarin niet ter discussie, en is het doel vooral de vrouwen gelijkwaardig aan dat model te laten participeren, maar dan dankzij de inspanningen van vrouwen en mannen samen. Het ‘combinatiemodel’ dat door de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) wordt verdedigd, is een mooi voorbeeld van een GAD strategie.

Maar dat ‘zorg voor de toekomstige generaties’ in dat dominante ontwikkelingsmodel een heikel punt blijft, wordt stilaan duidelijk. Niet alleen het feit dat zorgarbeid alleen als arbeid geldt wanneer hij ‘vermarkt’ wordt, blijkt een onhoudbare absurditeit te zijn. Dames die in de dienstencheques werken, gaan nu al met overheidssteun elkaars huis schoonmaken: zij hebben het systeem goed begrepen en spelen het spel voluit mee. Zij maken binnen de spelregels die de samenleving uitzet de ‘juiste’ keuze en laten zich betalen voor hun (onderlinge) zorgarbeid. Maar we weten nu al dat de samenleving binnenkort bijvoorbeeld de zorg voor senioren niet zal kunnen betalen, dus die vermarkting van zorg is eigenlijk onhoudbaar. Dat wil niet zeggen dat we niet voor onze senioren kunnen zorgen, natuurlijk, alleen dat de samenleving moeten ophouden dat als een ‘foute’ keuze te behandelen !

Een aantal economen, financieel specialisten en ecologisten zijn er inmiddels achter dat het vigerende ontwikkelingsmodel niet alleen voor vrouwen onrechtvaardig is, maar ook voor de toekomstige generaties, de planeet, de reële economie, de banksector, de overheden, de democratie… Het besef groeit dus ook bij mannen dat een meer solidair model een dwingende noodzaak is. Dat de wereld niet echt verbetert door gewoon vrouwen het spel te laten meespelen, heeft Margaret Thatcher al lang duidelijk gemaakt, waarvoor dank. Maar dat een individuele vrouw ook niet op haar eentje de debacles waar het monetair-economische model op afstevent, kan tegenhouden, is duidelijk. Het voorstellen alsof ze misschien een debacle laat gebeuren omdat ze een vrouw is, zoals Pauli doet, getuigt bijna van misogynie. De recente crisissen maken voor vrouwen en mannen duidelijk dat een model dat alleen op concurrentie als socio-economische waarde gebaseerd is, maatschappelijk onhoudbaar is. Want concurrentie houdt in dat iemand wint en iemand verliest. En dat vrouwen tot nu toe niet iedereen onder tafel concurreren, toont misschien toch aan dat er bij vrouwen nog waarden, ervaringen, gevoeligheden (of wat het ook moge zijn) leven die maatschappelijk gezien van onschatbare waarde zijn. En zo krijgt gender zijn derde betekenis: gender as transitie (GAT). GAT-strategieën streven naar een beter evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke waarden, zodat we een samenleving kunnen ontwerpen waarin gelijkheid, solidariteit, zorg voor kwetsbaren, voor kinderen, voor de planeet, en dus uiteindelijk voor onszelf, een reëel tegenwicht kan bieden tegen meer mannelijke waarden als concurrentie en competitie. Die strijd voltrekt zich uiteraard niet in concurrentie met de mannen, maar juist in samenwerking en solidariteit met hen. Kan je dat nog feminisme noemen? Wellicht is dat een term waarmee mannen zich moeilijker kunnen identificeren. Maar het etiket is onbelangrijk, zolang we maar samen aan een solidaire en duurzame samenleving werken; noem het voor ons part gerust duurzaamheid, zelf doen we dat ook. Zolang we niet vergeten dat ‘gender’ daarvoor een sleutelbegrip is, omdat het ons eraan herinnert dat er oog moet zijn voor verschillen tussen mensen (in termen van sekse, maar ook van huidskleur, scholingsgraad, migratiegeschiedenis, zowel als in termen van ‘huidige’ versus ‘toekomstige’ generaties enz…). Omdat het niet meer alleen over sekse gaat, maar ook over andere ongelijkheidsmechanismen, en omdat dit moet leiden tot een ander ontwikkelingsmodel, zouden we ook van ‘gander’ kunnen spreken, een samentrekking van “gender” (multilevelconcept rond het evenwicht tussen het mannelijke en het vrouwelijke) en “ander” (oog voor andere uitsluitingsmechanismen naast sekse, wat leidt tot innovatie, transitie naar andere economische modellen).

De oproep om de definitie en erkenning van arbeid over een radicaal andere boeg te gooien, komt niet van de minsten. Dennis Meadows, een van de auteurs van het eerste Rapport aan de Club van Rome (‘Grenzen aan de groei, 1972), gaf van 21 tot 23 november enkele lezingen waarin hij erop wees dat om de ecologische en economische rampen die op ons afkomen, het hoofd te bieden, we niet in eerste instantie moeten inzetten op ‘groene’ technologie (bvb alternatieve energie of energiezuiniger producten), maar wel op sociale verandering. Anders gezegd : sociale verandering – wat wij invullen als een andere definitie, verdeling en valorisatie van arbeid – is de sleutel is tot meer duurzaamheid.

Het is duidelijk dat er nog heel wat werk aan de winkel is, en dat we dus op zoveel mogelijk strategieën tegelijk moeten inzetten, van WID over GAD tot GAT. De notie ‘gender’ heeft in die drie strategieën inderdaad een andere reikwijdte, het is een concept dat het verband legt tussen biologische eigenschappen (microniveau) en maatschappelijke mechanismen (macroniveau) met daar tussenin (mesoniveau) tal van organisaties en instituties (waaronder de pers een hele belangrijke is). Als uitsmijter nog een kleine terminologische toelichting: “positieve actie” is eens een ‘specialleke’ doen voor de dames. “Gender mainstreaming” betekent dat in de ‘mainstream’ activiteiten, in het geval van Knack dus in alle artikels, aandacht besteed wordt aan gender en aan de impact van overwegend door mannen bedachte constructies op het dagelijkse leven van vrouwen en mannen. Want om de door Meadows zo dringend gevraagde sociale veranderingen ingang te doen vinden, moet iedereen meewerken, niet in het minst de pers.