Platform van interventies bij sociale praktijken en dynamieken

Beginpagina > Nieuws en analyses > Eenoudergezinnen van vreemde origine

Eenoudergezinnen van vreemde origine

Onderzoek en colloquium

Op 15 juni laatsleden organiseerde Flora samen met Bruno De Lille, Brussels staatssecretaris voor gelijke kansen een colloquium met als titel : “Brussels beleid en eenoudergezinnen, boven de hoofden heen of co-constructie ?” Het colloquium bouwde voort op de resultaten van het onderzoek dat Flora in 2011 uitvoerde.

Het opzet van het onderzoek

Aansluitend bij twee andere onderzoeksprojecten betreffende de situatie van eenoudergezinnen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1) gaf Staatssecretaris van Gelijke Kansen Bruno de Lille de opdracht voor een bijkomende studie, met als doel meer zicht te krijgen op de specifieke situatie en noden van eenoudergezinnen van niet-Belgische origine. Flora vzw, een expertisenetwerk rond gender, duurzaamheid en solidaire economie, voerde het onderzoek uit in de periode van april tot september 2011.

Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen. In het eerste deel werd via 25 diepteinterviews gepoogd meer zicht te krijgen op hoe deze ouders hun situatie beleven en welke factoren hen in het bijzonder problemen bezorgen dan wel het leven vergemakkelijken. Via de tussenkomst van organisaties die met personen van vreemde origine werken, werd een zo divers mogelijke steekproef samengesteld. De bedoeling was om zoveel mogelijk verschillende factoren of leefsituaties in beeld te krijgen. Met twee van de respondenten werd de interviewmethodiek vooraf op punt gesteld. Ook werden de interviews telkens door twee onderzoeksters uitgevoerd, dit om de intersubjectiviteit van de registratie en de analyse te verhogen.

Het tweede luik van het onderzoek betrof een casestudy die moest toelaten meer zicht te krijgen op een centrale hefboom voor eenoudergezinnen, met name de aansluiting kinderopvang – arbeidsmarkt. Hiervoor werd samengewerkt met de crèche Olina, een gemeentelijke kinderopvangdienst te Sint-Jans-Molenbeek en erkend partner van Actiris, die in zijn werking specifiek ruimte maakt voor ouders die zich willen inschakelen. Via interviews met directie, personeel en ouders en via observerende participatie vormden de onderzoeksters zich een beeld van hoe de crèche functioneert rekening houdend met de noden van de eenoudergezinnen.

In het derde luik, tenslotte, werden algemene conclusies en aanbevelingen voor verder onderzoek en beleid geformuleerd. De analyse die de onderzoeksters op grond van de interviews en de casestudy maakten, werd in het kader van een focusgroep opnieuw aan de respondenten voorgelegd, zodat ze de kans kregen hun eigen levensverhaal in een meer collectieve beschrijving te herkennen, en mee na te denken over de politieke implicaties van de studie. De deelnemers aan de focusgroep kregen bovendien de kans om hun conclusies en aanbevelingen rechtstreeks aan de Staatssecretaris mee te delen; dit betekende een enorme valorisatie van hun inbreng en toonde hen dat hun participatie wel degelijk een impact op politiek niveau kan hebben.

Het onderzoek leverde een schat aan inzichten op, zij het dan overwegend bij eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd. De problematiek van alleenstaande vaders en moeders blijkt op het eerste zicht zeer uiteenlopend te zijn; het vergt dan ook een specifieke onderzoeksopzet om zicht te krijgen op de leefwerelden van beide seksen. In dit onderzoek werd vooral op de vrouwen gefocust; slechts twee mannelijke respondenten konden worden bereikt. Verder onderzoek naar de leefwereld van de mannelijke alleenstaande ouders werd als één van de aanbevelingen naar voren geschoven.

De profielen van eenoudergezinnen

Uit de interviews bleek dat twee factoren een sterke invloed hebben op hoe alleenstaande moeders hun situatie beleven. Enerzijds ziet hun leefwereld er anders uit naargelang hun migratieparcours. Er zijn vrouwen die alleen naar hier zijn gekomen, hetzij om economische, hetzij om humanitaire redenen; zij brengen soms een kind mee uit het thuisland, of krijgen een kind in België. Deze personen hebben hier per definitie weinig sociaal netwerk om op terug te vallen, waardoor de combinatie van zorg- en productieve arbeid hen zeer zwaar valt, met een negatieve impact op hun sociaal leven en hun persoonlijk welzijn. Andere vrouwen maken deel uit van reeds lang in België gevestigde gemeenschappen, hetzij omdat ze als kind naar België migreerden of hier geboren werden onder de tweede of derde generatie migranten, hetzij omdat ze naar hier kwamen in het kader van huwelijksmigratie. Deze vrouwen hebben hier dus wel familie en een gemeenschap, waarbij ze al dan niet steun kunnen vinden op het moment dat ze alleenstaande ouder worden.

De tweede eigenschap die een invloed heeft op de beleving van hun situatie is de manier waarop het eenouderschap tot stand is gekomen. Ze kunnen weduwe geworden zijn, gescheiden zijn, of ze kunnen een kind hebben buiten het kader van een echtelijke relatie. Zeker voor vrouwen die deel uitmaken van een gevestigde migrantengemeenschap, maakt dit ‘statuut’ een groot verschil. De verwachtingen en opvattingen over familiale rollen maken immers dat deze gemeenschappen het eenouderschap vaak niet goed kunnen plaatsen, en ze de vrouwen in die situatie dus ook geen steun kunnen of willen bieden. Voor vrouwen die in het kader van arbeids- of humanitaire migratie naar België komen, speelt deze factor minder een rol; zij staan er sowieso alleen voor, hoe het eenouderschap ook tot stand is gekomen. Hun bijzonder grote isolement, echter, maakt hen dan weer extra kwetsbaar voor andere problemen. Door de twee factoren (migratiegeschiedenis en ‘eenouderstatuut’) met elkaar te combineren, blijken uiteindelijk acht types van eenoudergezinnen (met een vrouw aan het hoofd) te kunnen worden onderscheiden. Om de belevingswereld en culturele praktijken van die types in kaart te brengen, werd gebruik gemaakt van een analysekader dat Flora vzw doorheen ruim vijftien jaar actieonderzoek met kansarme vrouwen heeft ontwikkeld. Daarin wordt aandacht besteed aan vier vormen van arbeid die in het leven van mensen (en van de samenleving als geheel) nodig zijn. Het gaat om productieve arbeid (voorzien in de materiële noden), zorgarbeid (instaan voor de noden van de opeenvolgende generaties), sociale arbeid (kunnen bijdragen tot en terugvallen op een ruimere groep of gemeenschap), en zelfarbeid (persoonlijk welzijn, ontplooien van de eigen talenten…). Omdat situaties van onrecht of leed altijd verklaard kunnen worden vanuit feit dat één vorm van arbeid de andere onderdrukt, werd een vijfde functie aan het model toegevoegd, namelijk het ‘bewaken van het evenwicht’. Samenvattend wordt dit model aangeduid als het Five Types of Work Integrating Network (of kortweg 5-TWIN). Uit het onderzoek bleek dat voor alle eenoudergezinnen het evenwicht ernstig verstoord is, ook al kan dit zich bij de verschillende types op andere manieren manifesteren. Daarnaast werd ingezoomd op diverse assen van het maatschappelijke leven, gaande van huisvesting, tewerkstelling en kinderopvang tot sociaal kapitaal, familiale rollen en persoonlijk welzijn. Op elk van deze domeinen hebben de alleenstaande moeders met ernstige problemen te kampen, die elkaar bovendien ook nog eens onderling versterken. Wie geen kinderopvang heeft, vindt geen job; wie geen job heeft, kan zich geen treffelijke woning veroorloven en vindt moeilijker kinderopvang, enzovoort.

Een belangrijke bevinding

De globale conclusie van dit onderzoeksluik is dat de situatie van eenoudergezinnen te begrijpen is vanuit de kloof tussen enerzijds de referentiekaders waarop mensen kunnen terugvallen om in hun dagelijks leven praktisch en moreel houvast te vinden, en anderzijds de feitelijke situatie waarin ze zich bevinden. Die referentiekaders worden voor een deel bepaald door het land van herkomst en voor een deel door de Belgische of Brusselse context. Zo zijn de kennis en ervaring die mensen in het thuisland opdeden, of de diploma’s die ze daar verwierven, hier niet altijd bruikbaar of worden hier niet erkend. De rolpatronen die hier en in het thuisland als ‘vanzelfsprekend’ gelden (kortweg: de vrouw staat in voor de zorg en de man voor het inkomen), sluiten niet aan bij de rollen die deze vrouwen feitelijk moeten opnemen. Werkgevers en huiseigenaars staan dan ook vaak eerder wantrouwig tegenover alleenstaande moeders, en zijn minder geneigd hen een job of woning aan te bieden. Omdat ze niet beantwoorden aan het ‘model’ van hoe een gezin hoort te functioneren, voelen deze vrouwen zich ook vaak schuldig of beschaamd tegenover hun omgeving. Deze en andere ervaringen wijzen erop dat vrouwen noch voor praktische, noch voor morele steun op een gedeeld referentiekader kunnen terugvallen, en er in alle betekenissen van het woord ‘alleen voor staan’. Dit isolement, deze kloof tussen hun dagelijkse situatie aan de ene en gedeelde praktijken of collectieve zingeving aan de andere kant, is de bron van het vaak schrijnende leed van alle types van eenoudergezinnen.

De rol van organisaties

Vanuit die conclusie werd de casestudy, het tweede luik van het onderzoek, benaderd. De hypothese was dat een dienst als Olina de kloof die alleenstaande moeders ervaren (tussen de hen beschikbare referentiekaders en hun feitelijke situatie), kan helpen te overbruggen. Deze hypothese werd over de hele lijn bevestigd. Opmerkelijk is bovendien dat een dienst als Olina niet alleen (een collectieve vorm van) steun biedt voor praktische taken (in dit geval: opvang van de kinderen), maar evenzeer een bron van morele ondersteuning vormt. Door andere ouders te ontmoeten die dezelfde problemen kennen, worden de moeders er zich van bewust dat niet alles ‘aan hen alleen ligt’. Ze ontdekken dat ze lotgenoten hebben, en dit creëert een vorm van solidariteit en een sociaal draagvlak die hun isolement doorbreekt, en die de aanleiding kan zijn voor het vinden van nieuwe, gedeelde ‘referentiekaders’ (uitwisseling van praktische informatie of deelname aan gezamenlijke activiteiten, evengoed als het ‘samen dragen’ van lief en leed). Voor deze moeders is een dienst als Olina vaak de enige plek die ruimte biedt voor hun ‘sociale arbeid’ en hun ‘zelfarbeid’. Ze ervaren de luisterbereidheid in de crèche en de ontmoeting met andere ouders als een echte steun. Tevens biedt dat hen de kans om zich minder schuldig en eenzaam te voelen, wat hun persoonlijk welzijn een boost kan geven. Olina biedt ook gewoon een fysieke ruimte voor ontmoeting, voor gezamenlijke maaltijden of educatieve activiteiten; zaken waar de moeders zelf nooit de kans toe hebben omdat ze hun woonkamer bijvoorbeeld als slaapkamer moeten gebruiken of omdat hun krappe budget volledig aan huisvesting en zorgnoden (voeding, kleding, gezondheidszorg…) opgaat.

Een tweede conclusie van dit onderzoeksluik is evenwel dat Olina voor het opnemen van deze bredere sociale en educatieve functies zelf ook heel weinig kan terugvallen op ondersteunende ‘referentiekaders’. De ‘normale’ of ‘normatieve’ functie van een kinderopvang is immers veel smaller gedefinieerd; het wettelijke kader en de financieringsstructuur van kinderopvangdiensten is dan ook niet (of niet systematisch) op deze ‘brede’ werking voorzien. Kinderopvang wordt in eerste instantie gedefinieerd als het opvangen van de kinderen tijdens de uren dat de ouders betaald werk uitoefenen, en beperkt zich tot zorgtaken. Voor de bijkomende taken die Olina opneemt om alleenstaande ouders praktische en morele steun te bieden en om ruimere educatieve taken met hen op te zetten, bestaat geen wettelijk kader. Ook de crèche zelf beleeft dus een ‘kloof’ tussen de (wettelijke en administratieve) referentiekaders enerzijds en de dagelijkse ervaringen van hoe ze dient te functioneren (de rollen die ze dient te vervullen) om ook alleenstaande ouders een duurzame dienstverlening te bieden anderzijds. Het vergt dan ook zeer veel van de inzet, de energie en de visie van het team om deze sociale functies elke dag opnieuw op te nemen en vol te houden.

Een kader voor beleid

De algemene conclusies en aanbevelingen – in het derde luik van het onderzoek – bouwen logisch voort op de bevindingen uit de eerste twee delen. Als de kloof tussen de feitelijke dagelijkse praktijk en de voorhanden zijnde collectieve referentiekaders – zowel voor de ouders als voor de diensten die met hen werken – de kern van het probleem uitmaakt, dan moet de politiek vooral inzetten op het creëren en ondersteunen van innovatieve referentiekaders, kaders die meer op de dagelijkse praktijk van eenoudergezinnen en van de diensten waar ze terechtkunnen, zijn afgestemd. Als het beleid alleen zou inzetten op de ouders zelf (bijvoorbeeld door enkel te focussen op ‘activering’) zou dit nogmaals de indruk versterken dat het ‘aan hen ligt’, en hun isolement alleen maar vergroten !

Om dergelijke perverse effecten te vermijden, moet de politiek inzetten op twee types van maatregelen. Langs de ene kant is er nood aan maatregelen die ervoor kunnen zorgen dat de eenoudergezinnen zich ‘beter in de bestaande referentiekaders kunnen inpassen’, hetzij door te focussen op het empowerment van de ouders, hetzij door de bestaande diensten nog meer ‘op maat’ van die doelgroep te maken. Aan de andere kant moeten er ook maatregelen komen die juist niet focussen op (de noden en problemen van) individuele ouders, maar die hen collectieve antwoorden en oplossingen aanreiken. Wat een dienst als Olina doet, vormt daar een goed voorbeeld van, maar deze oplossingen hangen volledig van de inzet en het initiatief van de dienst zelf af en zijn niet (voldoende) geïnstitutionaliseerd. Een volgende stap is dan ook dat de sociale en transversale functies van dergelijke diensten ook in wettelijke en administratieve kaders en budgetten worden vertaald. Op dezelfde wijze kan ook voor de andere maatschappelijke assen (huisvesting, tewerkstelling, familiale rollen, sociaal kapitaal en persoonlijk welzijn) een ‘diversiteit’ (of een ‘ecologie’) van maatregelen worden uitgestippeld.

Het onderzoek resulteert dan ook in een kader dat toelaat om – vanuit de complexiteit van de leefsituatie van eenoudergezinnen van vreemde origine (en van de diensten die met hen werken) – meer pertinente beleidspistes in kaart te brengen en in hun onderling verband te overzien. Daarnaast worden op grond van de bevindingen uit de eerste twee luiken een aantal hypotheses voor verder onderzoek geformuleerd. Daarbij wordt de hypothese telkens geformuleerd in termen van een (te onderzoeken) kloof tussen de feitelijke leefsituatie van (uiteenlopende) groepen van mensen die op één of andere manier alleen voor de zorg voor kinderen instaan (bijvoorbeeld vaders, oma’s of tantes, andere etnisch-culturele groepen…) en de referentiekaders waarover ze beschikken om aan die leefsituatie een constructieve vorm en zin te geven.

Meer weten?

Het volledige onderzoeksrapport is beschikbaar op de website van Gelijke Kansen Brussel

JPEG - 1.8 MB
JPEG - 1.8 MB
JPEG - 2 MB
JPEG - 1.9 MB

(1) « Eenoudergezinnen. Een Brusselse verkenning » opgesteld in het kader van een werkgroep over de eenouderthematiek, opgericht op initiatief van het Territoriaal Pact voor de Werkgelegenheid. “Trajectoires de monoparentalité: relations au travail et au logement”, onderzoek met de steun van IRSIB in het kader van het programma ‘Prospective Research for Brussels’.