Platform van interventies bij sociale praktijken en dynamieken

Beginpagina > Nieuws en analyses > 2011 Europees jaar van de vrijwilliger

2011 Europees jaar van de vrijwilliger

7 mars 2011
Wie definieert vrijwillig werk ?

In de Lissabon strategie en nog sterker in EU 2020 lijkt de EU het heil voor de samenleving vooral te zoeken in economische ontwikkeling, in eerste instantie gekenmerkt door competitiviteit en productiviteit. Als de taart maar groter wordt, zal een sociaal rechtvaardige verdeling wel volgen, zodat ieder zijn deel krijgt en armoede wordt uitgebannen. De inschakelingsorganisaties die met ESF-middelen werken, kunnen ervan meespreken: de eis van productiviteit en doorstroming naar wat men zo tendentieus de ‘reguliere’ arbeidsmarkt noemt, verhoogt ook bij hen de druk om de zwakste doelgroepen uit hun programma’s te weren en zo ongewild zelf tot uitsluiting bij te dragen. Dat diezelfde EU 2011 tot het jaar van de vrijwilliger heeft uitgeroepen, stemt dan ook tot vreugde… maar roept ook vragen op.

Begin januari benoemde het weekblad Knack Eva Hambach, directrice van het Steunpunt Vrijwilligerswerk, tot vrouw van het jaar. In het interview stelt ze onomwonden dat vrijwilligerswerk vooral een blank, middenklasse verhaal is. Hoezo, doen laaggeschoolde vrouwen en mensen van allochtone herkomst dan nooit iets vrijwillig? Of zou het misschien kunnen dat de notie ‘vrijwilliger’ zo gedefinieerd is dat ze alleen past op wat de blanke middenklasse daaronder verstaat? Worden met andere woorden sommige groepen door structurele en culturele mechanismen de toegang tot bepaalde rollen – zoals het vrijwilligerswerk – ontzegd? Of wordt de invulling die door die groepen aan vrijwillige inzet wordt gegeven, misschien door het heersende kader niet erkend en gevaloriseerd ? U hoort het, we kunnen het weer niet laten een genderanalyse te maken…

Volgens de cijfers speelt vrijwilligerswerk zich vooral af in sportclubs en in organisaties met een goed doel. Dat de betrokkenheid van beide seksen in die twee types organisaties niet gelijk is, had u wellicht al geraden. In termen van het analysekader van arbeid - dat Flora via onderzoek met laaggeschoolde vrouwen ontwikkelde - kunnen we zeggen dat vrijwilligerswerk vooral te maken heeft met zelfarbeid (sport, ontspanning), zorgarbeid (voor kinderen, bejaarden, hulpbehoevenden…) en sociale arbeid (bijdragen tot het samen-leven, de collectieve manier om de sociale en fysieke omgeving te organiseren). In elk geval heeft het niet de bedoeling om de vrijwilliger van een inkomen te voorzien, en lijkt het dus buiten de productieve arbeid te vallen.

Maar wacht even, heel wat van die niet-productieve vormen van arbeid gebeuren natuurlijk ook door professionelen, en daar begint het schoentje al te wringen. Zijn die mensen die vrijwillig willen werken, geen concurrentie voor de mensen die datzelfde werk betaald doen? En zal de overheid niet geneigd zijn om maatschappelijke noden zolang te verwaarlozen dat ze uiteindelijk door vrijwilligers wordt opgenomen ? Ontloopt de overheid daarmee zijn verantwoordelijkheid niet? En wat met ziekenhuizenof andere organisaties die meer en meer taken aan vrijwilligers toevertrouwen die voordien door betaalde krachten werden opgenomen? Draagt al dat vrijwillig werk dan wel bij tot een betere samenleving, of leidt het paradoxaal genoeg tot maatschappelijke problemen als jobverlies, werkloosheid, uitsluiting ? Een complexe en delicate kwestie !

Wie Flora’s genderanalyse van arbeid kent, weet dat daar de notie ‘vrijwilligerswerk’ als zodanig niet in voorkomt. Het Flora-model onderscheidt in eerste instantie vier vormen van arbeid die voor de samenleving van belang zijn: productieve, sociale, zorg- en zelfarbeid. Al die rollen kunnen in principe betaald of onbetaald gebeuren. De mensen die via Facebook een democratische beweging op gang trekken, zijn daar niet voor betaald. Maar er is wellicht ook niemand die chatten met zijn vrienden als ‘vrijwilligerswerk’ zal benoemen, ook al is dat in de huidige samenleving een uiterst belangrijk kanaal voor participatie, sociale actie en zelfontplooiing geworden. Uit onze onderzoeksprojecten blijkt telkens opnieuw dat de dominantie van loonarbeid – of het feit dat arbeid uitsluitend via bankengeld gevaloriseerd wordt – tot ongelijkheid van kansen leidt. Wie tot de middenklasse behoort, heeft blijkbaar zelfs beter toegang tot vrijwilligerswerk dan wie geen of een laag inkomen heeft. In Nederland gaat men nu experimenteren met ‘verplicht vrijwilligerswerk’ als hefboom voor activering van werklozen. Kan het nog paradoxaler?

Flora zoekt naar uitwegen, oplossingen en alternatieven voor dit soort paradoxen. Samen met de vrouwen in armoede en de organisaties die met hen werken, ontwikkelen we kennis die vertrekt van hun leefwereld, van hun interpretatie van hun situatie. Voor de bijdrage die ze zo leveren tot het ontwikkelen van kennis worden de organisaties en hun publiek niet betaald, ze doen het ‘vrijwillig’. Toch beschouwen ze dat als hun ‘echte werk’, ‘le vrai travail’. Net zo de vrouwen en mannen die rond het Maison Biloba Huis de krachten bundelen rond de zorg voor senioren in een kansarme buurt. Hoe dit werk te valoriseren zonder het meteen aan de logica van het bankengeld en de marktmechanismen te onderwerpen, dat willen we samen met anderen verder uitzoeken. Samen met anderen, via samenwerking, uitwisseling, het bundelen van de krachten. Un vrai travail, quoi…
Anne Snick