Zoals eerder beschreven is het Belgische systeem van sociale zekerheid opgebouwd rond een ‘standaard’ levensloop. De vrouwen in dit onderzoek hebben deze standaard levensloop niet. Op een aantal cruciale (breuk)momenten lopen ze een achterstand op die ze niet meer kunnen inhalen. We zien drie belangrijke breukmomenten die maken dat ze geen ‘standaard’ loopbaan kunnen opbouwen en dus minder mogelijkheden hebben tot het opbouwen van eigen pensioenrechten. We bespreken elk van deze breukmomenten, stellen ons hierbij een aantal vragen en lanceren een aantal pistes voor reflectie.
Net voor de valreep stoppen met secundair onderwijs
Als we naar het levensverhaal en de levenslijn van de geïnterviewde vrouwen kijken, dan merken we op dat ze allen bijna het secundair onderwijs hebben afgemaakt. Waarom deze bijna, deze net niet ? Waarom afhaken op de valreep, in het laatste jaar van het secundair onderwijs, terwijl een diploma secundair onderwijs dé opstap betekent naar hogere studies of naar werk? Uit de gesprekken met de vrouwen komen drie verklaringen naar voren. Ofwel oordelen de ouders dat hun dochter geen diploma nodig heeft: ze is 18 jaar en dus is het tijd om te gaan trouwen én haar echtgenoot zal wel voor het inkomen instaan terwijl zij thuis voor de kinderen en het huishouden zorgt (ook al strookt dit traditionele rollenpatroon niet meer met de realiteit). Of het meisje ontmoet zelf een man die haar te verstaan geeft dat zij niet moet gaan werken en dat een diploma dus niet belangrijk is. Of nog, ze is zelf niet (meer) gemotiveerd en ziet het belang van een diploma niet in. In alle drie de gevallen komt hetzelfde idee naar voren; men leert de meisjes dat het niet hun rol of taak is om zich te kwalificeren om toegang te hebben tot werk. Men valoriseert hen niet in de rol van actieve ‘participanten’ aan de samenleving; integendeel, men sterkt hen in de idee dat ze ‘gemaakt’ zijn om moeder en huisvrouw te worden. Hoe kan een jonge vrouw in deze omstandigheden de motivatie en de kracht vinden om zich te verzetten tegen de verwachtingen en toch verder te studeren? Hoe deze tendens omkeren?
Moet men jongeren niet helpen zich te oriënteren in de samenleving vooraleer ze de schoolbanken verlaten?
Een mogelijke piste is de jongeren in het secundair onderwijs (alle ! jongeren) informatie en oriënteringssessies aan te bieden die hen wegwijs maken in de wereld van de volwassenen, in het sociale zekerheidssysteem, in het belang van een diploma in onze samenleving, in de mogelijkheden nà het secundair onderwijs. Hierbij zouden zowel de leerkrachten (die de jongeren en hun capaciteiten kennen) bij betrokken kunnen worden als professionals met kennis van het systeem en van de diverse beroepsmogelijkheden die er zijn. Dit zou de jonge allochtone meisjes (en hun competenties) in zekere zin valoriseren én hen een ruimere waaier aan toekomstmogelijkheden aanreiken.
Kan een (verplichte) gemeenschapsdienst een oplossing betekenen?
Een idee zou kunnen zijn om een vorm van (al dan niet verplichte) gemeenschapsdienst in te voeren voor jongeren van 18 jaar, om hun de motivatie te versterken om verder te studeren of werk te zoeken. Onder ‘gemeenschapsdienst’ verstaan we elke vorm van vrijwilligerswerk, die de jongeren in staat stellen om de wereld van ‘werk’ te leren kennen, die hen de kans geeft zich ‘nuttig’ te voelen én die hen hun eigen capaciteiten laat ontdekken. Deze gemeenschapsdienst zou zo georganiseerd kunnen worden dat er bij het invullen van de ‘stageplaatsen’ bij de deelnemers een zo groot mogelijke mix ontstaat qua geslacht, sociale klasse én etnische achtergrond. Op die manier kunnen de jongeren ook anderen leren kennen, kunnen ze andere toekomstpistes ontdekken, en kunnen ze bovenal zichzelf leren kennen.
Huwen met een man uit het land van herkomst
De vrouwen die we in het kader van dit onderzoek hebben geïnterviewd zijn bijna allen gehuwd met een man uit het land van oorsprong. Deze dient verschillende integratie-stappen te doorlopen vooraleer hij eventueel aan het werk kan. Het is de taak van de vrouw (hier opgegroeid en dus meer vertrouwd met het Belgische systeem) om haar man hierin te ondersteunen. Dit vraag heel veel van haar tijd en energie. Als we dit gegeven bekijken met de bril van het Flora-analysekader (link naar analyskader) dan zien we het volgende. Het analysekader gaat ervan uit dat (om bvb pensioenrechten te kunnen opbouwen) er een evenwicht moet bestaan tussen vier verschillende vormen van arbeid (productieve arbeid, zorgarbeid, sociale arbeid en zelfarbeid). We hebben gemerkt dat gedurende de verschillende levensfasen van de vrouwen de zorgarbeid (zorg voor de ouders, ondersteuning van familie, integratie van de echtgenoot, zorg voor de kinderen, etc) als prioriteit gezien wordt en het leeuwendeel van hun tijd in beslag neemt. Bijgevolg hebben ze niet tijd en/of keuzevrijheid om hun studies verder te zetten, opleidingen te volgen, sociale activiteiten te ontwikkelen, te gaan werken, aan zichzelf en hun zelfontplooiing te werken. Het zoeken naar een evenwicht tussen deze verschillende vormen van arbeid gebeurt echter ook niet op gezinsniveau; de echtgenoot werkt (nog) niet, maar neemt evenmin huishoudelijke taken of zorgtaken voor de kinderen of de familie op zich.
We kunnen ons dus de volgende vragen stellen:
Waarom nemen de mannen niet meer zorgtaken op zich?
Hoe kunnen mannen gesensibiliseerd worden om op gezinsniveau tot een evenwicht tussen de verschillende vormen van arbeid te komen?
Moet er een soort van integratieverlof worden voorzien?
De tijd en energie die vrouwen (moeten) spenderen aan de integratie van hun man, belet hen om opleidingen te volgen of te gaan werken. Kan deze zorgarbeid op een of andere manier gevaloriseerd worden (ipv ‘bestraft’ in het licht van pensioenrechten)? Of kunnen bepaalde organisaties of instanties hier een grotere rol in opnemen?
De biologische klok volgen?
Kansarme vrouwen, zowel autochtone als allochtone, krijgen hun eerste kind vaak erg vroeg in vergelijking met de (middenklasse) vrouwen, die meer de ‘standaard’ levensloop volgen. Ze worden moeder rond de leeftijd van 20 à 22 jaar, wat betekent dat ze op dat moment geen studies kunnen aanvatten of verder zetten. We weten dat het niet hebben van een diploma voor deze vrouwen de toekomstmogelijkheden ernstig beperkt: ze hebben alleen nog uitzicht op repetitief, uitputtend, vermoeiend werk, meestal in slechte arbeidsomstandigheden en statuten.
Vanuit biologisch oogpunt situeert het beste moment voor een vrouw om kinderen te krijgen zich tussen de 20 en de 25 jaar. Echter, in onze samenleving is de verwachte ‘standaard’ levensloop erg lineair: onderwijs/hogere studies – tewerkstelling – trouwen en gezinsvorming.
Wanneer de vrouwen uit ons onderzoek hun parcours onderbreken om kinderen te krijgen is het heel moeilijk om achteraf de draad weer op te pikken.
Ze beginnen hun carrière dus met een ‘handicap’: geen vorming, geen ervaring, een ‘gat’ in hun CV … wat ertoe leidt dat ze minder kansen hebben om tot de arbeidsmarkt toe te treden.
Kan het systeem niet voorzien dat vrouwen tijdens hun studies hun biologische klok kunnen volgen? Kan hoger onderwijs niet zo worden georganiseerd dat het voor vrouwen mogelijk wordt om tijdens hun studies kinderen te krijgen? Met kinderopvangmogelijkheden voor tijdens de studies en ondersteuning en omkadering die dit toelaat? Of dat vrouwen die reeds kinderen hebben, op aangepaste wijze toch nog een diploma kunnen halen (denk aan initiatieven zoals jobcoaching, het project Elmer,…). Kinderopvang die netwerkvorming mogelijk maakt.
Vrouwen die moeder worden lopen het gevaar geïsoleerd te raken. Ze blijven thuis om voor hun kinderen en familie te zorgen, ze verliezen hun sociaal netwerk en hebben daardoor minder mogelijkheden om ervaringen uit te wisselen, informele oplossingen voor problemen te vinden en hun moeilijkheden te leren relativeren. Kan kinderopvang zo georganiseerd worden dat het voor de moeders mogelijk wordt contacten te leggen en zich een netwerk te vormen, sociaal kapitaal op te bouwen, of sterker nog, dat dit actief gestimuleerd en gestructureerd wordt?
Goedkope en beschikbare kinderopvang Het is geweten dat goede en betaalbare kinderopvang vinden vaak een probleem is. Kan de overheid geen grotere rol spelen in het voorzien van kinderopvang voor mensen in een kwetsbare positie, zodat zij vorming of opleiding kunnen volgen?