Met het project ‘Vreemde pensioenen!’ gaan we op zoek naar een pertinent analysekader voor het in kaart brengen van levenslopen en loopbanen die afwijken van ‘de standaard’. Meer specifiek willen we onderzoeken of en in welke mate het door ons participatief ontwikkelde ‘witte’ analysekader, ook kan bijdragen tot het in kaart brengen van gekleurde levenslopen en loopbanen. We gaan m.a.w. na of én hoe levenslopen en loopbanen van laaggeschoolde, allochtone vrouwen verschillen van deze van laaggeschoolde, autochtone vrouwen. Ons onderzoek wordt steeds gevoerd met het oog op een rechtvaardige opbouw van pensioenrechten.
Voorliggende project kwam er naar aanleiding van ons vorig actieonderzoek naar de (einde)loopbanen van laaggeschoolde vrouwen. Met dit project zagen we onze hypothese bevestigd dat kansarme, laaggeschoolde, vrouwen van Belgische afkomst geen ‘typische’ loopbaan opbouwen. Ze werken in het zwart, niet of deeltijds én komen dikwijls terecht in onzekere statuten of contracten. Hun loopbaan is erg complex en bestaat uit één lange aaneenschakeling van werkende en werkloze periodes. Of een vrouw al dan niet werkt, hangt niet alleen samen met ruimere maatschappelijke ontwikkelingen, maar wordt ook sterk bepaald door (familiale) omstandigheden en eerder toevallige gebeurtenissen in haar privé-leven. We merken op dat vrouwen vaak niet zelf de touwtjes in handen hebben wat betreft de uitbouw van hun loopbaan en zodoende weinig of geen controle hebben over het al dan niet opbouwen van pensioenrechten.
Analysekader: een gendervisie op arbeid
Waarom aandacht voor allochtone vrouwen?
De etnische herkomst van de vrouwen vormt aantoonbaar een bijkomende risicofactor. In eerder onderzoek onderzocht Bea Van Robaeys of mensen van vreemde afkomst een groter risico lopen dan autochtonen om in de armoede te geraken. Ze stelde vast dat niet alleen personen van Marokkaanse of Turkse herkomst een zeer groot armoederisico kennen (ongeveer de helft van hen is inkomensarm), maar dat ook alle andere groepen van niet-Belgische herkomst een hoger risico lopen om in inkomensarmoede te moeten leven. Ze besluit dat het belangrijk is een zicht te krijgen op de factoren die deze socio-economische kwetsbaarheid kunnen verklaren en op de mechanismen die aan het werk zijn in het verarmingsproces.
Ook de lidorganisaties van Flora (actief op vlak van vorming en tewerkstelling met laaggeschoolde vrouwen) worden steeds meer geconfronteerd met vrouwen van buitenlandse herkomst. Hun ervaringen wijzen er eveneens op dat vrouwen met een andere etnisch-culturele achtergrond extra kwetsbaar zijn. Ze merken heel wat parallellen, maar duidelijk ook belangrijke verschillen met de autochtone vrouwen. Op het eerste zicht lijken deze verschillen samen te hangen met het migratieverleden en de afkomst van de allochtone vrouwen.
Bovenstaande bevindingen maken ons erg nieuwsgierig naar de mogelijke specifieke impact van etnisch-culturele achtergrond op het leven én de loopbaan (en de pensioenopbouw) van laaggeschoolde vrouwen. We merken op dat laaggeschoolde vrouwen vandaag vaak als een homogeen geheel worden beschouwd en dat geen of weinig onderscheid wordt gemaakt tussen de specifieke situatie van autochtone en allochtone vrouwen, maar interageren hun levensloop en loopbaan wél op dezelfde manier? Met dit onderzoek hopen we hierop een beter zicht te krijgen.
Wij willen onderzoeken of kansarme, allochtone vrouwen dezelfde drempels tot werk ondervinden? We willen nagaan welke breuken zich in hun levensloop voordoen en of deze een invloed hebben op hun loopbaan en dus ook de opbouw van hun pensioen? Spelen ook bij hen sleutelfiguren een belangrijke rol? Wat is de invloed van rolpatronen op het al dan niet kunnen maken of hebben van keuzes? In welke mate speelt onbekendheid met de systemen een rol bij het opbouwen van een loopbaan? In welke mate ondervinden zij racisme en discriminatie t.o.v het intreden op de arbeidsmarkt? …
Wij willen met dit onderzoek ook (noodzakelijke!) bruggen slaan tussen organisaties die werken met autochtone of allochtone vrouwen (en mannen), want organisaties worden steeds gekleurder en kunnen niet aan de diversiteit van hun doelgroep voorbij. We kiezen voor de invalshoek ‘levensloopbanen en pensioenopbouw’, omdat we hierover al heel wat (vergelijkings)materiaal verzamelden bij autochtone vrouwen.
We willen nagaan of er een specifieke impact is van “het allochtoon zijn” op de levensloop en loopbanen van laaggeschoolde vrouwen (factoren die de kansen op de arbeidsmarkt beïnvloeden, keuzemogelijkheden, familiale omstandigheden, sleutelfiguren, ed). Gesprekken met onze partnerorganisaties én literatuur laten ons immers vermoeden dat laaggeschoolde, allochtone vrouwen aan specifieke mechanismen, verbonden aan hun migratieverleden, onderworpen zijn. In dit onderzoek willen we dit vermoeden aftoetsen.
Doelstellingen
Algemeen willen we bereiken dat beleidsmakers zich er (nog meer) van bewust worden dat bepaalde structurele maatregelen – zoals de maatregelen binnen het stelsel van de sociale zekerheid en de pensioenen – grotendeels gecreëerd zijn naar het beeld van het traditionele (witte) kerngezin, waar de (blanke) man voltijds gaat werken en de (blanke) vrouw thuis blijft om voor de kinderen en het huishouden te zorgen.
Concreet willen we hen, maar ook betrokken organisaties een beter zicht bieden op de manier(en) waarop laaggeschoolde, allochtone vrouwen hun privé - en professionele leven (kunnen of mogen) uitbouwen en tot het begrip laten komen dat het afstemmen van hun beleid op deze doelgroep ook ten goede komt aan de andere leden van onze samenleving (die uit het keurslijf van het dominante kostwinnersmodel willen ontsnappen).
Aard van het onderzoek
Via het opzetten van een (participatief) actieonderzoek met een aantal praktijkorganisaties en hun allochtone vrouwen, hopen we te komen tot een drievoudig resultaat:
a) Verzamelen van beleidsrelevante gegevens
Pensioenopbouw lijkt niet alleen een probleem van kansarme, laaggeschoolde – autochtone en allochtone - vrouwen. Een steeds groter deel van de bevolking maakt zich zorgen over de toekomst van hun pensioen. Zoals we in het begin aangaven, zal elke persoon, wiens keuzes (zowel op vlak van levensloop als loopbaan) niet gelijk lopen met de veronderstellingen waarop het pensioenstelsel is gebaseerd, problemen ondervinden met zijn of haar pensioenopbouw. Van de overheid wordt verwacht dat ze alternatieven formuleert en oplossingen bedenkt.
Wij menen dat de problemen waarmee kansarme vrouwen in de marge van de samenleving worden geconfronteerd een goede monitor zijn voor de problemen waarmee steeds meer mensen zullen geconfronteerd worden. Door samen met hen te zoeken naar drempels voor pensioenopbouw en mogelijke oplossingen te formuleren, hopen we het beleid te ondersteunen bij het opzetten van een alternatief, meer pertinent pensioenbeleid.
b) Versterking en ondersteuning van praktijkorganisaties en hun doelgroep
We willen samen met de betrokken lidorganisaties (participatieve actie) zoeken naar een kader en een methodiek om de atypische levensloop en loopbaan van hun doelgroepvrouwen in kaart te brengen. We menen dat onze methodiek de individuele vrouwen kan versterken (reflectie op de eigen levensloop, bevestiging van hun competenties, de-individualiseren van hun problemen), maar eveneens resultaten zal opleveren op organisatieniveau. Het analysekader blijft immers niet steken op een individueel niveau, maar tracht de resultaten open te trekken naar een ruimere context.
c) Verder ontwikkeling analysekader en versterken van partnerschappen
Door het huidige analysekader te blijven aftoetsen aan nieuwe realiteiten en vanuit andere invalshoeken, willen we het verder verstevigen en/of bijsturen. Het kader wil eveneens een aanzet zijn tot reflectie tussen onze netwerkleden en de sector van allochtone verenigingen over het thema tewerkstelling en loopbanen van allochtone vrouwen. Op deze manier hopen wij bruggen te slaan, niet enkel tussen verschillende doelgroepen, maar ook tussen verschillende sectoren. Zeker in situaties van kansarmoede (accumulatie problemen, structurele mechanismen, verschillende levensdomeinen) is deze samenwerking volgens ons onontbeerlijk!
In de praktijk
Aan de basis van ons onderzoek liggen een 10- tal diepte-interviews die we bij allochtone, kansarme vrouwen uit twee – één Vlaamse en één Waalse – praktijkorganisaties afnemen. Deze interviews zullen worden afgenomen in november. In oktober organiseerden we reeds een algemene vormingssessie met de allochtone vrouwen van beide organisaties (Groep Intro Brussel en COBEFF), waarbij we de thematiek en het belang van het onderzoek bespraken.
Enkele sfeerbeelden:

Meer informatie m.b.t. dit onderzoek kan u bekomen bij Rebekka Celis (rebekkacelis@florainfo.be) of Sofie Giedts (sofie@florainfo.be).