De Vlaamse minister van Cultuur Bert Anciaux ontwikkelt een beleid dat mensen uit kansengroepen meer kansen moet bieden om aan cultuur te participeren. Kunst en Democratie, een organisatie die tot doel heeft het beleid van de minister te ondersteunen, wijdde zijn nieuwjaarsreceptie op 19 december 2007 volledig aan het thema ‘cultuurparticipatie’. Aan Flora werd gevraagd om haar eigen(zinnige) visie op dit thema te komen toelichten. Kunst en Democratie zal de tekst van die lezing publiceren, maar gaf ons de toestemming om hem ook in Coulissen/s op te nemen.
Eigenzinnig
Flora werd gevraagd hier een eigenzinnige visie op participatie te brengen. Aangezien het verhaal gevoed is vanuit het werk van een eigenzinnige organisatie, zou dat moeten lukken. Flora, een netwerk van organisaties die via tewerkstelling willen bijdragen tot de maatschappelijke integratie/participatie van en gelijke kansen voor laaggeschoolde en kansarme vrouwen (en mannen), werkt op het snijvlak van gender, economie en armoedebestrijding.
Om ‘arbeid’ als inrijpoort voor maatschappelijke doelstellingen te gebruiken, is op zich al redelijk eigenzinnig. De economie ziet (potentiële) werknemers immers als ‘productiefactor’ die de privé-winst van de privé-aandeelhouders kunnen en moeten vergroten. Het aanwerven van laaggeschoolde of kansarme werknemers, of het ‘opentrekken’ van de notie werk tot het ‘deelnemen aan de samenleving’ in de brede zin, staat haaks op die ‘privé-doelen’ en is dus not done. Of je moet bereid zijn om steeds tegen de stroom in te zwemmen. Om dat toch te kunnen doen, hebben een aantal organisaties van over het hele land zich verenigd in het netwerk Flora. Als netwerk biedt het hen een platform dat de micro-economische (rentabiliteits)logica waarin ze gevat zitten, overstijgt, en een forum – letterlijk: een openbare ruimte, een marktplein – creëert waarop ‘maatschappelijke’ thema’s (zoals gelijke kansen, armoedebestrijding, participatie) op de agenda kunnen worden gehouden.
Paradox
Een eigenzinnige visie dus. Laat ik beginnen met een vraag: kan men participatie eigenlijk ‘decreteren’? Stel u de scène voor: een machtig man, geëscorteerd door een belangrijke entourage, verkondigt: “Ik decreteer: gij moet en gij zult participeren. Waag het niet om dat in vraag te stellen. En durf nu te beweren dat ik niet participatief te werk ga”…
Nu is een zekere paradox inherent aan elke emancipatorische activiteit die men voor een ‘doelgroep’ opzet. Met stuurt ergens op aan, stuurt mensen ergens heen, legt hen in zekere zin iets op, en dat in de hoop om hun mondigheid en zelfstandigheid te bevorderen. Het ‘opleggen’ kan min of meer verbloemd gebeuren, maar dat verandert niets aan de grond van de zaak. Heel kernachtig uitgedrukt komt de paradox hierop neer: “ik beveel u: word zelfstandig (en hou dus op mij te gehoorzamen)”.
Zit een dergelijke paradox ook in het ‘decreteren’ van participatie vervat? Om dat te exploreren, maak ik even een omweg langs de notie “activering”, dat wil zeggen alle inspanningen die de overheid doet om mensen aan te zetten tot het opnemen van een actieve rol op de arbeidsmarkt (en in de samenleving in het algemeen). De achterliggende gedachte is dat men niet afhankelijk mag blijven van sociale steun, maar zijn talenten ter beschikking moet stellen van de samenleving, en dat bij voorkeur via het opnemen van loonarbeid binnen het zogenaamde ‘reguliere’ economische circuit. Om mensen daartoe aan te zetten, wordt een systeem van vormingen en ‘incentives’ opgezet dat diverse categorieën van werklozen als ‘doelgroep’ heeft en dat ‘op maat’ van die doelgroep wordt gemaakt.
De kernboodschap is dus: “gij moet/zult geactiveerd worden”. U herinnert zich uit uw schooltijd: een zin waarin het werkwoord vergezeld gaat van “worden”, wordt ook een ‘passivum’ (of lijdende vorm) genoemd. Ik word geholpen, bestolen, bemind… telkens gebeurt er iets aan mij, onderga ik passief wat een ander met mij/aan mij doet. Hoe moet dat dan met ‘je wordt… geactiveerd’? Het actief maken gebeurt ‘aan mij’ als passief wezen, een paradox om U tegen te zeggen.
Nog anders uitgedrukt: er is een spanning tussen de inhoud van het activeringsdiscours en de taaldaad die het belichaamt. Met taaldaad verwijst men naar wat men met een uitspraak ‘doet’, los van de inhoud. Ik kan bvb. iets beloven, vragen, vaststellen, verwijten, … Zo kan de vraag “Wie heeft er nu tijd om taarten te bakken?” volgende taaldaden voorstellen:
een informatieve vraag (om een efficiënte taakverdeling te kunnen maken)
een verzoek (ik heb zelf geen tijd, kan iemand het van me overnemen?)
een verwijt (wie bakt nu taart terwijl er zoveel dringender dingen te doen zijn?)
een retorische vraag, om de identificatie van de taartenbakker (een feitelijke mededeling) in te leiden, gepaard met een zeker ‘retorisch effect’ (dat dan ook nog als hulde of als spot bedoeld kan zijn, enz…). “Wie heeft er tijd om taarten te bakken… onze oma!” Of: “…ons diensthoofd!“
Eenzelfde inhoud kan dus verschillende taaldaden bevatten. Als het over activering gaat, luidt de inhoud: ‘je wordt actief, je krijgt een actieve rol in de samenleving’. Wat de ‘taaldaad’ betreft, gaat het daarbij niet om een ‘feitelijke vaststelling’ noch om een ‘belofte’, maar om een aanmaning, een bevel, zoniet een dreigement: ‘word actief, want anders…’. Inherent in dat bevel zit bovendien de boodschap aan de kansarmen dat hun niet-participatie (hun uitsluiting) eigenlijk aan een tekort bij hen te wijten is, een tekort in hun capaciteiten, motivatie, werkwilligheid, verantwoordelijkheidszin… De ‘schuld’ voor hun marginalisering, voor hun niet-participatie aan de arbeidsmarkt en de samenleving, wordt zo bij hen gelegd, wat niet bepaald een ‘bemoedigende’ of ‘versterkende’ boodschap is maar eerder hun ‘minderwaardigheid’ onderlijnt.
Taaldaden
De prangende vraag is dus: wat pikken de mensen van de doelgroep uit het activeringsdiscours op? Is dat de inhoud, de verwijzing naar hun ‘actief burgerschap’, mondigheid, participatie? Of is het de taaldaad, het bevel dat gebaseerd is op een impliciete beschuldiging en minachting?
Uit de ervaringen van de organisaties die bij Flora zijn aangesloten, blijkt duidelijk dat de ‘taaldaad’ inherent aan het activeringsdiscours een veel zwaardere impact heeft dan de beleidsvoerders wellicht beseffen. De mensen worden immers (zoals vaak al hun hele leven) geviseerd vanuit wat ze niet kunnen, niet weten, niet willen. Ze worden aangesproken op hun tekort en er wordt gesuggereerd dat als ze dat tekort maar opheffen, ook aan hun uitsluiting een einde kan worden gemaakt. Waarom is de impact van de taaldaad zo sterk:
de boodschap is impliciet, hij passeert ‘achter je rug’, zonder dat je er erg in hebt, op ‘subliminaal’ niveau, speelt in op het onderbewustzijn… Psychoanalytici en reclamemakers kunnen zoiets vast beter uitleggen dan ik.
hij wordt gebracht door mensen die een ‘superieure’ positie belichamen (“wij zijn wél geslaagd in de samenleving, wij nemen wél onze verantwoordelijkheid, wij weten wat goed is voor u”),
en die bovendien controle en macht uitoefenen (om te sanctioneren, toegang tot een uitkering te verlenen of te verhinderen…)
Het resultaat is binnen de organisaties bekend: voor veel mensen (niet voor allen, maar wel voor de zwakste) leidt het activeringsdiscours niet tot empowerment, emancipatie en participatie, maar tot een verdere marginalisering. Het vormt impliciet een aanslag op hun zelfbeeld en zelfvertrouwen, het versterkt hun overtuiging dat ze toch niets aan de samenleving bij te dragen hebben, dus waarom zouden ze moeite doen? De vicieuze cirkel sluit zich. En aangezien de organisaties door de subsidiërende overheid afgerekend worden op hun ‘doorstromingspercentage’ naar de arbeidsmarkt, voelen ze zich – tegen hun zin – genoopt om de zwakste mensen buiten te houden… Het beeld dat ik hier eerder voor gebruikte, is dat van een overheid die de kansarmen met de hand probeert omhoog te trekken, terwijl hij ze met de voet tegen de grond gedrukt houdt (1).
Twee scenario’s…
Nu de situatie wellicht vrij uitzichtloos lijkt, keer ik terug naar cultuurparticipatie. Om dit spanningsveld tussen hand en voet – tussen taalinhoud en taaldaad – verder in kaart te brengen, verken ik (bij wijze van gedachte-experiment) twee mogelijkheden.
Eerste mogelijkheid: normatief. We gaan ervan uit dat wij weten wat goed is voor de mensen, zij zitten immers in een situatie van achterstelling, wij niet, dus moet ons referentiekader toch ‘goed’ zijn. Het moet dan ook als richtsnoer, als norm voor anderen kunnen dienen. Laat ons afspreken: “dit (onze definitie van cultuur) IS cultuur”. Iedereen moét er dus aan deelnemen, de vraag is alleen: hoe brengen we mensen daartoe, hoe slechten we de drempels? Er zijn financiële drempels, die relatief gemakkelijk op te lossen zijn, door gratis tickets, cultuurcheques en dergelijke. Maar er zijn ook ‘inhoudelijke’ drempels. De mensen die de cultuur produceren, zijn niet de mensen die de cultuur (moeten) consumeren. Of beter: de cultuurproducenten komen doorgaans uit andere socio-economische groepen (met andere referentiekaders) dan de doelgroep die we voor ogen hebben. Het publiek begrijpt ‘de codes’ niet, zitten erop te kijken zonder dat het hen iets zegt… dus brengen we hen de codes bij. We zetten artiesten in die - met de doelgroep - artistiek kunnen werken om hun peil op te krikken, hun culturele bagage te verrijken, om ‘gecultiveerde’ mensen van hen te maken.
De impliciete boodschap – de ‘taaldaad’ zo u wil – is niet mis te verstaan. Uw ‘cultuur’ is minderwaardig. Om volwaardig te participeren, moet u uw eigen referentiekader loslaten, en u richten naar de uitdrukking (in culturele producten) van de waardestelsels van een andere socio-economische groep. In sociologisch jargon heet dit ‘vervreemding’, ik bespaar u de verdere technische uitleg, maar participatie staat hier mijlenver van af. Bovendien is het impliciet beschuldigend: als u niet participeert, is dat omdat u de codes niet beheerst, het tekort ligt bij u. Dit noem ik ‘Scylla’, de rots waar de doelgroep te pletter tegen slaat (het zelfvertrouwen kwijt raakt) of tegen afketst (helemaal afhaakt).
Laten we het over een radicaal andere boeg gooien. We laten hén uitdrukking geven aan hùn codes en hun referentiekader, we documenteren dat en maken het aan het brede publiek kenbaar als een gelijkwaardige uitdrukking van cultuur. We stellen hun ‘werkjes’ tentoon, en geven een beleefd applausje, want laat ons eerlijk zijn, als we met hun ‘levensstijl’ (of ‘stijl’ tout court) geconfronteerd worden, is dat voor ons vaak even ‘bevreemdend’ als abstracte kunst of experimentele muziek voor heel wat mensen is. Een variant (of tussenvorm) is uiteraard dat we hen hun interpretatie van ‘onze’ cultuur laten geven, hen ‘onze’ theaterstukken laten interpreteren, hun werkstukken confronteren met werken van ‘onze’ kunstenaars… met de impliciete boodschap dat die allemaal ‘gelijkwaardig’ zijn. Wat we met andere woorden doen, is ‘hun’ codes canoniseren, we hanteren niet langer één dominante norm, relativisme is het ordewoord.
Maar als men de norm loslaat… waaraan participeert men dan nog? De ethische vaststelling, dat het onrechtvaardig is dat bepaalde mensen niet aan cultuur participeren, verliest elke grond onder de voeten zodra men de idee loslaat dat er ergens een ‘common ground’ zou (moeten) zijn. We laten hen hun ding doen, noemen dat gelijkwaardig, en geven hen de middelen om hun cultuur te beleven en te uiten (men ‘participeert’ dan alleen nog aan de middelen). Als de doelgroep zo op zichzelf teruggeworpen wordt, legt men uiteindelijk ook de verantwoordelijkheid voor hun uitsluiting (of participatie) bij hen: het gaat om ‘hun’ keuzes, hun culturele preferenties, en wie zijn wij om daar vragen bij te stellen? Men blijft met andere woorden blind voor de structurele (en culturele) mechanismen die de ‘keuzes’ en waardenpatronen van mensen beïnvloeden. Dit is wat ik ‘Charybdis’ noem, de alles verzwelgende draaikolk van het relativisme: men heeft geen ankerpunt meer om het verschil in cultuurparticipatie in vraag te stellen. Cultureel kapitaal wordt een volstrekt holle notie als iedereen de mogelijkheid heeft om de bankbiljetten te drukken. Bovendien sluit het de mensen op in hun referentiekader, in de zogenaamde ‘culture of poverty’. Het relativisme ‘canoniseert’ op die manier de referentiekaders (“keuzes”) die eigenlijk zelf reeds het product van bepaalde uitsluitingsmechanismen en socio-economische filters zijn.
… of de tussenweg
Sinds ruim tien jaar exploreert het netwerk Flora een benadering van participatie die ik zou willen benoemen als ‘varen tussen Scylla en Charybdis’. Sinds zijn ontstaan organiseert het netwerk om de twee jaar een ‘forum’ voor de lidorganisaties en de laaggeschoolde vrouwen waarmee ze werken. Vanuit alle hoeken van het land komen deze vrouwen bijeen in een ‘publieke ruimte’ (een theater, feestzaal, stad…), en wisselen er van gedachten over thema’s die hen allen aanbelangen. Voor velen van hen is het een unieke gelegenheid om de privé-ruimte of de beslotenheid van de buurt te verlaten en om toegang te krijgen tot de openbare ruimte. Voor velen is het een ‘geruststelling’ om te zien dat vrouwen van elders met dezelfde problemen worstelen als zijzelf. Het maakt hen duidelijk dat hun problemen deels met maatschappelijke mechanismen te maken hebben, en dus niet louter ‘hun schuld’ zijn. Deze ontmoetingen leggen dus de basis van empowerment, door hen niet te benaderen als ‘individu met tekorten’, maar door op collectief niveau structurele ‘tekorten’ zichtbaar te maken en in vraag te stellen. Zo worden ze niet gereduceerd tot ‘object’ van een activerings- of participatiestrategie, maar benaderd als medeauteur, als gesprekspartner in het denken over uitsluiting en participatie. We blijven uit de buurt van Scylla…
In 2003 kreeg het Flora Forum als thema “Wij hebben talenten”. Aan de deelnemende organisaties werd gevraagd om een talent te kiezen waarover de vrouwen dan een workshop zouden geven aan de deelneemsters van de andere organisaties. Om congruent met de boodschap te blijven, wilde Flora immers niet een ‘expert’ vragen om hén hun talenten te helpen ontdekken of versterken; dat zou als ‘taaldaad’ immers in strijd zijn met de ‘inhoudelijke’ boodschap. Op de volgende werkvergadering meldden ongeveer de helft van de organisaties dat de vrouwen ‘geen talenten’ hadden, dat ze het hen gevraagd hadden en dat de vrouwen van zichzelf vonden dat ze niets te bieden hadden. Als we nu ‘radicaal participatief’ aan het forum vorm hadden gegeven, en de ‘input’ van de vrouwen voor lief hadden genomen, dan hadden we die schrijnende boodschap alleen maar ‘uitvergroot’. We hadden de verantwoordelijkheid voor de magere oogst bij de vrouwen zelf gelegd, maar hen intussen wel nog een ervaring laten opdoen die hun negatieve zelfbeeld nog maar eens versterkt zou hebben. Charybdis buldert luid…
Aan de begeleidsters binnen de organisaties werd op dat moment de opdracht gegeven om met de vrouwen op zoek te gaan naar hun talenten. Dat doen we door de notie van ‘arbeid’ open te trekken, en door aan te tonen hoe bepaalde capaciteiten, ook al worden ze door de arbeidsmarkt (en dus door de samenleving) niet gevaloriseerd, toch belangrijk zijn voor het uitbouwen van een kwaliteitsvol (samen)leven. Zo kwamen uiteindelijk alle deelnemende organisaties met een ‘talent’ voor de proppen dat ze tijdens het forum aan elkaar voorstelden. Uit de evaluaties achteraf bleek dat deze dag een enorme impact op de vrouwen had, dat velen er moed en inspiratie uit putten om stappen te zetten naar andere sociale en culturele activiteiten waar ze voordien met geen middelen naartoe te krijgen waren.
Het opmerkelijkste was wel dat de ‘inhoud’ van de diverse workshops er eigenlijk niet toe deed. Of het nu ging om kennis over ‘de binnenkant van een computer’ dan wel om het beschilderen van bloempotjes of het geven van gezichtsmassages, deed er niet toe. Wat voor de vrouwen van doorslaggevende betekenis was, was de ‘taaldaad’, het feit dat ze in de rol van ‘competente mensen’ werden gezet, die in staat zijn om anderen iets bij te brengen. Voor vele vrouwen betekende dit niet minder dan een Copernicaanse revolutie in hun wereldbeeld. Varen tussen Scylla en Charybdis wil dus zeggen dat er tegelijk vertrokken wordt van de leefwereld en zingeving van vrouwen én dat er met hen gewerkt wordt rond de structurele en culturele inbedding van die leefwereld, dat de uitsluitingsmechanismen worden blootgelegd en dat ze vanuit hun strikt individuele verhaal tot een meer algemene visie kunnen komen, waardoor hun greep op hun situatie vergroot en nieuwe mogelijkheden zich openen.
Ik geef u voor de volledigheid nog de volgende episode in dit verhaal mee. Voor het Forum van 2005 heeft het netwerk Flora beslist dat er een stap verder zou worden gezet, door namelijk de talenten en de leefwereld van de vrouwen ook voor een breder publiek zichtbaar te maken. Dit vormde de basisinspiratie van de tentoonstelling ‘Vrouwelijk meervoud/ Féminin pluriel” die sinds eind 2006 het land rondreist. Ook hiervoor werd een koers tussen Scylla en Charybdis gevaren. Een coördinerend kunstenaar (Jan Vromman) ontwikkelde de artistieke ‘vormgeving’ van de expo [met name opgevat als een ‘forum’, met spreekgestoelte, een halfrond, vrouwen (audiovisueel) die het woord tot het publiek richten, tafelbladen waar de ‘leden’ van het forum hun boodschap op nalieten, wandschilderijen, een receptietafel, een website…] en de vrouwen leverden – op grond van diverse sociaal-artistieke workshops - het ‘materiaal’. Hun levensverhalen werden in een vorm gegoten die binnen het concept paste (getuigenissen, beelden, textielkunstwerken), en ondergingen op die manier reeds een vorm van ‘sublimatie’, kregen een vorm die het ‘voyeurisme’ in de levensverhalen oversteeg, en die de boodschappen van de vrouwen kaderde in een ruimere beeld van de context waarin zij wonen en werken. Voor veel mensen uit de doelgroep (zowel zij die aan de productie van de expo hadden meegewerkt als zij die ze bezochten) was het een primeur om een culturele productie te vinden waarin ze hun leefwereld herkenden op een manier die ‘reflectie’ en ‘ontmoeting’ toeliet, die hen hielp om hun soms schrijnende verhalen te op een hoger niveau te tillen (te sublimeren) en ze in een bredere maatschappelijke context te plaatsen.
De ‘pragmatiek’ (of taaldaad) inherent aan deze expo komt bovendien hierop neer dat als er een ‘tekort’ aan cultuurparticipatie is, dat dit niet alleen is omdat de laaggeschoolde vrouwen ‘onze’ codes niet kennen, maar ook omdat (de rest van) de samenleving ‘hun’ codes niet kent, hun leefwereld, hun zingeving, de Sitz im Leben van hun verhalen en beelden. Cultuurparticipatie moet met andere woorden van twee kanten komen. De expo is een co-productie tussen de kunstenaar en de begeleidsters in (de lidorganisaties van) Flora enerzijds en de laaggeschoolde vrouwen zelf anderzijds. Alleen op die manier, door wat we “co-constructie van kennis” noemen, kunnen we een koers blijven varen tussen de rots en de draaikolk.
Slotbedenkingen
Ik wil eindigen met een aantal kritische vragen en bemerkingen. Ik heb laten zien dat - in de ervaring van Flora - via cultuur(participatie) een (corrigerende) aanvulling gegeven wordt op het activeringsbeleid. De vraag is dan: is cultuurparticipatie (in de strikte zin) niet zoiets als dweilen met de kraan open zolang ‘activering’ zo eng op toeleiding naar de ‘reguliere’ arbeidsmarkt wordt toegespitst, en zolang de notie ‘arbeid’ gegijzeld wordt door de privé-economie? Een onderzoek van de Universiteit van Antwerpen heeft overigens aangetoond dat ‘opwaartse sociale mobiliteit’ van mensen uit kansarmoede nooit lukt als men enkel ‘instrumentele’ leerervaringen aanbiedt, maar alleen als deze zijn ingebed in processen van ‘sociaal’ en ‘expressief’ leren(2). Activering zonder cultuurparticipatie heeft met andere woorden weinig effect; ze zijn op één of andere mysterieuze manier met elkaar verknoopt. Ik hoop dat mijn verhaal een eerste blik in de ‘black box’ van dat proces toelaat.
Ik ga nog een stap verder. In onze samenleving is loonarbeid de eerste, de belangrijkste manier om aan de samenleving bij te dragen, men is pas ‘iemand’ als men een job heeft. Maar tegelijk wordt arbeid sterk snel versmald, van ‘bijdragen tot het goed functioneren aan de samenleving’ tot ‘bijdragen tot de privé-winst van de aandeelhouders’. Op grond daarvan worden mensen weer herleid tot productiefactor, in te schakelen in een economische logica die – zeker voor de groep van laaggeschoolden – vaak weinig ruimte laat voor (vragen over) zingeving, zelfontplooiing, participatie. Moeten we dan met het oog op cultuurparticipatie ook niet kijken naar hoe ‘arbeid’ in onze samenleving georganiseerd en gestructureerd wordt, en inspanningen leveren om de ‘vervreemdende’ mechanismen die daarin aanwezig zijn, zichtbaar te maken en te doorbreken? Cultuur mag zich met andere woorden niet beperken tot wat zich in ‘de vrije tijd’ en in de ‘cultuursector’ afspeelt, maar moet vertrekken van een brede en integrale visie op ‘arbeid’, namelijk als alles wat een samenleving nodig heeft om goed te functioneren. Het netwerk Flora is ervan overtuigd – en heeft in de loop der jaren begrepen - dat alleen op die manier daadwerkelijk tot participatie van marginale groepen kan worden bijgedragen.
Ik hoop dat u ziet dat ‘cultuur’ een essentiële bouwsteen vormt van dit proces vormt, ook al zijn we misschien in eerste instantie nog ver verwijderd van ‘kunst’. Door op zoek te gaan naar de ‘talenten’ van de vrouwen komen we hun cultureel kapitaal op het spoor. Wat is voor deze vrouwen belangrijk, waar houden ze zich graag mee bezig, wat geeft hen ‘zin’ in het leven, welke factoren en ervaringen structureren hun ambities en hun zelfbeeld? Door een brede (antropologische) visie op cultuur te hanteren, vertrekken we van de ‘comfortzone’ van de vrouwen en geven hen ruimte om zichzelf te zijn. De waarde die zij aan dingen hechten, wordt hen ‘teruggegeven’. Heel vaak zijn ze die immers kwijtgeraakt, zijn ze ervan vervreemd door hun (afgedwongen) conformisme aan middenklasse normen, commercie, sociale druk of controle. Door cultuurparticipatie – opgevat als ‘varen tussen Scylla en Charibdis’ – wordt zo de basis gelegd voor het opnemen van een volwaardige, actieve rol in de samenleving. Cultuur mag dus geen een ‘apart’ domein (of sector) zijn waar de doelgroep naartoe moet worden geleid, maar moet zijn tentakels uitslaan naar alle domeinen van het maatschappelijk leven, ook – of misschien in eerste instantie – dat van de arbeid.
1. Snick, Anne (2006). Cultuur als werk. Een deconstructie van de notie ‘cultuurparticipatie’ vanuit het perspectief van laaggeschoolde vrouwen. – In: Marijke Leye (Red.) Over (cultuur)participatie. Kunst en Democratie, 213-229. 2. Thys, R., De Raedemaecker, W. & Vranken, J. (2004), Bruggen over woelig water. Is het mogelijk om uit de generatie-armoede te geraken? Leuven – Voorburg: Acco.