Dit artikel werd geschreven in het kader van een samenwerking met de CGé (Changement pour l’égalité/Verandering voor gelijkheid, de vroegere algemene confederatie van onderwijzend personeel) en wordt gepubliceerd in de nieuwsbrief "Traces". Het artikel gaat over sociaal werkers, maar richt zich vooral tot onderwijzend personeel.
Het CGé houdt zich hoofdzakelijk bezig met onderwijs, maar hier willen we het hier vooral hebben over de huidige situatie van sociale werkers in opleidingscentra en organisaties voor socio-professionele inschakeling (SPI). Vanuit de parallellen kunnen ook de verschillen duidelijker worden.
Een groot verschil is dat SPI-vormingswerkers met een volwassen publiek werken (of toch elk geval dat niet meer schoolplichtig is). Daaruit zou je kunnen concluderen dat dit publiek wellicht een actieve opleidingskeuze maakt en dus gemotiveerd is om een beroep onder de knie te krijgen1. De realiteit is echter anders : het activeringsbeleid, dat ook wel de « jacht op werklozen » wordt genoemd, verplicht deze mensen om een opleiding aan te vatten, enkel en alleen om hun recht op een uitkering te behouden.
In deze context opereren sociale werkers op de kruising tussen verschillende spanningsvelden : • de spanning tussen hulp en controle; • de spanning tussen de vragen van de doelgroep en die van de subsidiërende instellingen of overheden; • de spanning tussen verantwoordelijkheid en solidariteit.
Tussen hulp en controle
De meeste SPI-organisaties balanceren altijd een beetje tussen hulp en controle. Deze organisaties werden opgericht in de jaren ‘90 om een antwoord te bieden op het gebrek aan opleidingen. Het uitgangspunt luidde dat – ook voor beroepen waarvoor geen hoge kwalificaties nodig zijn – wat extra opleidingsbagage werkgevers ertoe zou aanzetten om deze mensen vlotter aan te werven. Aanvankelijk was dat zeker het geval, maar meteen doken er ook averechtse effecten op. Aan de ene kant zag de overheid er een middel in om een sas te creëren en om de frustratie van werklozen, althans voor enige tijd, te beheersen. Aan de andere kant hadden de werkgevers vrij snel begrepen dat ze op die manier aan beter gekwalificeerde arbeidskrachten konden geraken zonder zelf te moeten investeren in een opleiding, en ze begonnen te eisen dat kandidaten een dergelijke opleiding zouden volgen vooraleer ze konden worden aangenomen. Ondertussen had men werk gecreëerd voor een groot aantal sociaal werkers die dat allemaal in goede banen moesten leiden.
Om vandaag op de Brusselse arbeidsmarkt te overleven moet een organisatie erkend zijn door Bruxelles-Formation (de Brusselse Franstalige dienst voor vorming en opleiding)2. Deze instelling eist dat heel wat gegevens over kandidaten die een opleiding willen volgen, naar haar worden doorgespeeld. De gegevens moeten worden ingevoerd in de gezamenlijke informatiesystemen van Bruxelles-Formation en Actiris (de Brusselse dienst voor arbeidsbemiddeling). Alles wat in de dossiers staat, moet natuurlijk altijd positief geformuleerd zijn, maar we weten goed genoeg dat lacunes in een CV toch op een negatieve manier kunnen worden gelezen. Er is dus wel degelijk controle.
In de feiten spannen sociaal werkers zich altijd hard in om personen die bij hen een opleiding of een actief zoekproces volgen, te beschermen. Maar het is altijd balanceren op een slappe koord, een delicate institutionele en individuele keuze. Een positie die vaak abrupt in vraag wordt gesteld door een inschakelingsbeambte van het OCMW of een oproepingsbrief van de RVA. Er moet dan plots een delicate keuze worden gemaakt tussen doorgeven of verzwijgen van informatie, zonder dat de precieze relatie tussen de rechten en plichten van iedereen duidelijk afgebakend is. Het vraagt veel energie om zich assertief op te stellen, zonder onrechtvaardig te zijn tegenover de gebruiker, de vereniging of vooral ook tegenover zichzelf.
Tussen doelpubliek en instelling
Ons doelpubliek bestaat uit mensen met zeer uiteenlopende motivaties. Maar de subsidiërende overheid wil resultaten. Ze wil weten hoeveel mensen er tewerkgesteld zijn, met een kopie van hun arbeidscontract als bewijs.Als een organisatie met haar opleidingsaanbod niet genoeg mensen (binnen een bepaalde tijd) aan het werk kan krijgen, kan ze haar subsidies definitief verliezen.
Binnen die spanning zien sociale werkers zich verplicht om vooral die kandidaten te selecteren die het best passen in de opleiding en in de baan die erbij aansluit. Ze kauwen het werk van de werkgevers dus al voor. Maar de mensen die zo opgeleid worden, zijn niet noodzakelijk diegenen die het meeste nood aan vorming hebben. Iemand die de Franse taal niet goed beheerst, kan wel over de competenties beschikken om een goede keukenhulp te zijn. Maar de opleidingscentra weten dat zo iemand in een concurrerende omgeving weinig kans maakt voor die job. Sociale werkers gaan dan opnieuw op zoek naar een evenwicht. Aan de ene kant gaan ze dus mensen opnemen die de opleiding echt nodig hebben en die hun werk zinvol maken. Een aan de andere kant moeten ze zorgen voor voldoende mensen die vlot werk zullen vinden, om te voldoen aan de verwachtingen van de subsidiërende overheden. Deze evolutie drijft hen steeds verder weg van de idealen die 15 tot 20 jaar geleden tot de oprichting van de organisaties geleid hebben.
Tussen verantwoordelijkheid en solidariteit
Tijdens die 15 tot 20 jaar hebben we de verzorgingsstaat definitief achter ons gelaten en is er enkel nog sprake van de actieve welvaartstaat, of zelfs van neoliberalisme zonder meer. Wat wil dat concreet zeggen voor iemand met een sociale uitkering ? In de jaren ‘80 en het begin van de jaren ’90 was iemand werkloos omdat hij « geen geluk had ». De sociale toestand, bedrijfssluitingen, de economische context verklaarden de individuele situatie van zo iemand. Wie werk had, had gewoon geluk gehad. Er waren alleen collectieve tewerkstellingsmaatregelen.
Geleidelijk aan evolueerde het discours van de politici en de sociale werkers. Het uitgangspunt klonk erg positief : zelfredzaam maken, inspelen op de verantwoordelijkheid van de mensen bij hun zoektocht naar werk. Via meer individuele trajecten konden we beter rekening houden met de specifieke situatie van iedereen. Ja, maar tegelijk hebben we de verantwoordelijkheid voor de situatie bij de mensen zelf gelegd, terwijl de sociaal-economische toestand nog verslechterd is en er nog minder banen zijn (vooral voor laaggekwalificeerde personen).
Tegelijkertijd hebben we de oorden van solidariteit afgebroken : vakbonden verloren hun krediet, de kantoren voor de stempelcontrole verdwenen, voor werklozen is vrijwilligerswerk steeds ingewikkelder geworden. Uitkeringsgerechtigden moeten hun leed dus steeds meer alleen dragen. Sociale werkers luisteren naar hen en vragen hen zelfs om hun verhaal te vertellen zodat ze hen kunnen helpen bij het vinden van hun trajectdoel, maar tegelijk voelen ze zich vaak volstrekt machteloos tegenover zoveel ellende. Plaatsen waar de nood kan worden gedeeld of worden omgezet in kwaadheid die mensen ertoe aanzet om de ellende te overwinnen en om de oorzaken ervan te bestrijden, bestaan niet meer. Ze creëren zelf parallelle werelden waarmee sociale werkers zich nauwelijks kunnen identificeren en waarvoor ze dus ook geen oplossing kunnen voorstellen (religie, etnische groepen, bendes …). Bij SPI-werk moet woede oplossen in begrip en burgerparticipatie. Sociale werkers staan daar soms helemaal alleen voor. In de beste gevallen werken de sociale werkers in team en zijn er supervisies of intervisies. Maar ook deze plekken kunnen enkel tot constructieve oplossingen leiden als er tussen de sociale werkers echt onderling vertrouwen en solidariteit bestaat.
Besluit
Spanningsvelden zijn noodzakelijk : ze zijn tegelijk verplichtingen en dynamische krachten, ongemakkelijk en bronnen van creativiteit. Wie werkt met, voor en over mensen heeft ermee te maken. Dat betekent dat het werk van leerkrachten doorkruist kan worden door parallelle vragen : • Wat controleert men ? Of leerlingen aanwezig zijn, dan wel of ze de vereiste leerstof verwerven ? • Wat is het doel van onderwijs en vorming? Burgers vormen of werknemers opleiden ? • Wat te denken van pedagogische methodes die steeds meer mikken op zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van de persoon in opleiding en op individualisering van het proces ? Welke plaats heeft de collectieve, de gemeenschap daar nog in ? • Wat zijn de verplichtingen voor lesgevers ? De middelen of de resultaten ?
Op deze vragen bestaat geen eenvoudig antwoord. Zich die vragen stellen, is al een stap in de goede richting zetten. Zich die vragen samen stellen, in een solidaire, opbouwende sfeer, kan een begin van oplossing zijn.
1 In 2006 betreft het 11.828 personen in Brussel en 27.343 in Wallonië. 2 De instellingen hebben in Wallonië niet dezelfde naam, maar de verplichtingen zijn wel dezelfde.