In 2006 presenteerde het VBJK in samenwerking met de Pedagogische Begeleidingsdienst van de stad Gent en het Adviesbureau Gender Consulting & Training - Flora vzw, de brochure: “Ouderparticipatie, ook voor vaders! Hoe kan je vaders betrekken bij kinderopvang?” Deze handleiding wil kinderopvanginitiatieven stimuleren om zich ook actief naar vaders te richten. Je vindt er een praktisch instrument in dat je via een beknopte zelfevaluatie helpt een concreet actieplan uit te werken. De handleiding werd ondertussen vertaald naar het Frans en het Duits en werd in Vlaanderen, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk toegepast. Tijd om een eerste balans op te maken van deze praktijkervaringen.
Waarom werken aan vader-participatie?
Internationaal onderzoek stelde het unaniem vast en onze ervaringen op het terrein in Vlaanderen en de aanpalende landen bevestigen het: vaders zijn in de kinderopvang over het algemeen minder betrokken bij de activiteiten dan moeders. Dat heeft vooral te maken met de historische ontwikkeling van de sector. Oorspronkelijk was kinderopvang vooral bedoeld voor het overnemen van de zorgtaken van werkende moeders. Ondertussen zijn ouders zorgtaken meer en meer gaan delen. Maar oude stereotypen spelen ons vaak nog ongewild parten. Het zijn vooral de moeders die de contacten met het kinderopvanginitiatief onderhouden, die de gezinsagenda organiseren, die aanwezig en actief betrokken zijn bij feesten en evenementen. Kinderopvangbegeleiders spelen hier onbewust op in. Ze wisselen bijvoorbeeld in de eerste plaats informatie uit met de moeder. De activiteiten die het initiatief ontwikkeld om de ouders te betrekken, zullen vaak ook eerder vrouwen aanspreken. Door de band genomen blijft de kinderopvang op deze manier letterlijk en figuurlijke een zaak van vrouwen. Het is niet altijd gemakkelijk voor de vader om hierin zijn plaats te vinden als ‘nieuwe’ vader… Nochtans blijkt uit interviews met vaders dat ook zij uitdrukkelijk wensen betrokken te zijn, dat ook voor hen de kwalitatieve opvang van hun kinderen van zeer groot belang is. Indien vaders op een gelijkwaardige manier aangesproken en betrokken worden heeft dat voor alle betrokkenen voordelen:
het kinderopvanginitiatief krijgt meer info over het kind en kan meer ouders mobiliseren voor activiteiten;
vaders winnen er een aanspreekpunt bij en worden dagelijks opnieuw bevestigd in het belang van hun rol als betrokken vader; de vertrouwensband tussen de vaders en het kinderopvanginitiatief zal groeien;
moeders kunnen met een geruster hart hun zorgtaken delen, want zij krijgen de boodschap dat het delen van de verantwoordelijkheid voor hun kind de normaalste zaak ter wereld is;
het kind wint er ook bij want de band met de vader kan er alleen maar beter van worden en bovendien krijgt het op deze manier met de paplepel ingegoten dat mama’s én papa’s zorgen voor hun kinderen.
Het instrument
Het instrument staat kinderopvanginitiatief toe om de eigen dagelijkse praktijk te ‘meten’ en van op een afstandje kritisch te bekijken. Wat doen we al goed? Wat kan er nog beter? Het gehele proces zit vervat in een eenvoudig stappenplan: je begint met de voorbereiding, je doet de ‘meting’ en vervolgens spreek je een paar werkpunten af. Al deze stappen gebeuren in groep met het team van begeleiders. Elke stap is daarbij belangrijk: als je een waarheidsgetrouw beeld wil krijgen via de meting en een pertinent actieplan als resultaat, moet je voldoende tijd nemen voor de voorbereiding.
De voorbereiding gebeurt in groep tijdens een teamvergadering. Aan de hand van een tabel wordt nagekeken, voor één of meerdere kinderen, hoe de participatie van de ouders in kwestie verliep. Er word met andere woorden teruggekeken naar het verleden om met het team door te praten wat zij eigenlijk verstaan onder participatie. Bijvoorbeeld: wanneer is de ‘babbel’ ’s morgens en ’s avonds een informatie-uitwisseling en wanneer niet? Het debat daarover is vaak zeer levendig. Het voordeel van deze inspanning om naar de participatie van vaders te kijken, wordt meteen duidelijk: het algemene beleid rond ouderparticipatie komt ter sprake en krijgt nieuw leven ingeblazen.
De meting gebeurt vervolgens aan de hand van twee tabellen. De eerste registreert tijdens één à twee weken het dagelijkse brengen en halen van de kinderen en de contacten met beide ouders. De andere registreert gedurende een iets langere periode de aanwezigheid en betrokkenheid van beide ouders tijdens occasionele activiteiten. We krijgen via dit soort meting geen wetenschappelijk objectieve resultaten. Door het instrument toe te passen begint het team waarschijnlijk al in een bepaalde mate de praktijk bij te sturen. En des te beter als dat het geval is. Het gaat hem bij deze oefening in de eerste plaats om het veranderingsproces dat zo op gang komt en slechts in mindere mate om de cijfers. Op dit punt gekomen is het daarom ook heel belangrijk tijd in te lassen voor een grondige feedback van deze stap met het team.
Het actieplan wordt opgesteld aan de hand van de bespreking van de ervaringen met en de resultaten van de meting. Hier is het belangrijk om kritisch te bekijken welke ouders met welke activiteiten worden bereikt, en welke niet, en te trachten te begrijpen waarom dat zo is. Afhankelijk van deze analyse kan het team dan een aantal werkpunten afspreken en een aantal nieuwe pistes uitproberen.
De acties
Er zijn vier soorten acties die kinderopvang-initiatieven ondernemen na het gebruik van dit instrument:
1. acties die ouderparticipatie in het algemeen versterken of uitbreiden
2. acties die vaderbetrokkenheid willen verhogen binnen de bestaande ouderparticipatie
3. acties die vooral expliciet de vaders willen aantrekken
4. acties rond het ontwikkelen van een gender-neutrale of gender-bewuste pedagogische aanpak van de kinderen.
Als je vaderbetrokkenheid wil stimuleren, heb je natuurlijk een algemeen beleid rond ouder-participatie nodig. Een aantal initiatieven stelden zich bijvoorbeeld vragen rond de inrichting van de ruimte: hoe organiseer je de ruimte optimaal om een goed dagelijks contact met de ouders mogelijk te maken? Andere initiatieven gaan binnen hun bestaande activiteiten op zoek naar manieren om vaderparticipatie te verhogen. Als een activiteit bijvoorbeeld systematisch geen of weinig vaders aantrekt, worden de vaders rechtstreeks
aangesproken en uitgenodigd voor de volgende activiteit. Vaders blijken deze aandacht wel te appreciëren. Vaak hebben ze niet de gewoonte om de ‘kinderpost’ systematisch zelf door te nemen.
Veel aandacht gaat uit naar de eerste contacten met de ouders. Het blijkt uit de praktijk cruciaal te zijn om in deze fase zowel de moeders als de vaders te bereiken. Het is belangrijk dat de ouders van in het begin de boodschap krijgen dat beide ouders een belangrijke plaats innemen in de kinderopvang. Dat kan door een afspraak te maken voor de intake met beide ouders, zelfs al moet dat dan op een ander moment dan tijdens de werkuren. Of door beide ouders te vragen de informatie te lezen en beiden het contract te laten ondertekenen. Zelfs al zijn vaders minder aanwezig omwille van praktische redenen, af en toe zullen ze toch aanwezig zijn en dan heeft iedereen er belang bij dat ze goed op de hoogte zijn van het reilen en zeilen en dat ze zich er ook op hun gemak voelen.
Dan zijn er ook initiatieven die activiteiten organiseren die specifiek erop gericht zijn vaders aan te trekken. Uit hun analyse bleek bijvoorbeeld dat het aanbod van activiteiten nogal sterk vrouwgericht was. Zij gingen op zoek gaan naar activiteiten die ook vaders zouden kunnen aanspreken, wat een heuse verrijking betekende. Op het eerste zicht lijken de voorbeelden erg stereotiep: het gaat vaak om actieve, sportieve zaken als babygym, een voetbaltoernooi, knutselactiviteiten en dergelijke. Het kan inderdaad niet de bedoeling zijn dat de moeders enkel ‘participeren’ tijdens een koffieochtend en dat de vaders enkel op komen dagen voor het voetbaltoernooi. Wel kan een dergelijk ruimer aanbod aan activiteiten vaders over de streep trekken en ook op andere vlakken zorgen voor een hogere betrokkenheid. En er zijn vast ook moeders die zich tot dit actieve aanbod aangetrokken voelen.
Werken aan een genderneutrale of genderbewuste pedagogische aanpak van de kinderen was niet de uitdrukkelijke bedoeling van het instrument, maar het kwam bij verschillende initiatieven vanzelf op de proppen. De begeleiders vroegen zich af of ze zelf naar de kinderen toe onbewust soms nog vrij stereotype boodschappen doorgaven. De feedback die kinderen doorlopend van begeleiders over hun gedrag en uitspraken krijgen, is inderdaad nog vaak ongewild gebaseerd op stereotype verwachtingen over de verschillen tussen meisjes en jongens. Verwachtingen waarop meisjes en jongens al heel jong leren inspelen… Als een peuter zorgt voor een baby, reageren we dan als begeleider hetzelfde als het om een jongen gaat als om een meisje die dit zorgende gedrag vertoont? Een begeleider stelde vast dat zij de neiging had van zéér positief te reageren als het een meisje was, en veel minder of niet te reageren als het een jongen was. Speelhoeken lijken soms ongewild een meisjes/jongens etiket te krijgen. Een buitenschoolse kinderopvang besloot daar iets aan te doen, door de materialen anders te verdelen. Andere initiatieven besloten van het spelmateriaal zelf onder de loep te nemen. Hoe zit het bijvoorbeeld met de boekjes? Hoe worden de mama’s en papa’s erin afgebeeld? Welke rollen worden hen toebedeeld? Welke rollen spelen de jongens en meisjes in de boekjes? De boodschap is hier zoveel mogelijk alle competenties te stimuleren bij zowel jongens als meisjes, zonder daarom geforceerd roldoorbrekend te willen doen.
De afwezige vader: een probleem?
Wanneer je de nadruk gaat leggen op de rol van de vader in de opvoeding, bots je onvermijdelijk op de context van eenoudergezinnen en hersamengestelde gezinnen. Het is zeer uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest van de brochure om het traditionele gezin als het absolute ideaal naar voren te schuiven. Het instrument evalueert niet de ouders, wel de manier waarop een initiatief er in slaagt beide ouders – of andere aanwezige opvoeders – te bereiken en te betrekken. Maar wat doe je met de vaders die afwezig zijn, als je bijvoorbeeld een feestje voor de papa’s en hun kinderen organiseert? Is dat dan niet extra pijnlijk voor de kinderen met afwezige vaders? De praktijkervaring leert ons dat heel wat mogelijk is als je het probleem bespreekbaar maakt. Er kan bijvoorbeeld met het kind zelf bekeken worden of er niet iemand anders is die het graag zou uitnodigen. Of misschien heeft de moeder een
goed idee.
Procesbegeleiding
Het instrument kan volledig zelfstandig worden toegepast, zo is het ontworpen. Toch bleek het voor heel wat verantwoordelijken van kinderopvanginitiatieven geen overbodige luxe om zich een stukje extern te laten ondersteunen. Dat kan door deel te nemen aan een intervisie groep waar uitwisseling kan gebeuren met andere initiatieven die ook het instrument toepassen en/of een gehele of gedeeltelijke vorming/begeleiding door een externe procesbegeleider in het initiatief zelf. Het VBJK biedt daarom - geheel kosteloos – een dergelijke begeleiding aan aan een aantal kinderopvanginitiatieven. Voorwaarde is enkel je kandidaat te stellen voor 15 januari 2008! De begeleiding kan in groep gebeuren of individueel op maat: aan jou en je team om je voorkeur te bepalen.