In de aanloop van Equal Pay Day (27 maart 2009) organiseerde zij-kant, de progressieve vrouwenbeweging i.s.m. ABVV, een erg goed gedocumenteerde campagne. Daarnaast vertolkt de Europese Commissie het standpunt van heel Europa. Bij monde van Europees Commissaris Vladimir Spidla verklaarde ze dat de huidige crisis geen excuus mag zijn om niets te doen aan de loonkloof. Goed gezegd! Maar waar staan we als we horen wat ze hierover zeggen in Canada, een land waar loongelijkheid enkele lengtes voor ligt op het oude continent? Ik vrees dat de weg nog lang is, erg lang … en dat het gevaar voor een terugval reëel is.
De feiten
Volgens het ACV moet een vrouw werken tot maart 2009 om evenveel te verdienen als een man in 2008. Volgens het ABVV werken vrouwen gratis na 15.05 uur. Deze slogans zijn een vertaling van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, zoals die blijkt uit de statistieken voor 2006 van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De loonkloof bedroeg in 2006 23,58% (tegenover 26% in 2000) voor het bruto maandloon in euro voor voltijdse en deeltijdse jobs in de privésector. Als we het uurloon bekijken, bedroeg de kloof 14,46% (terwijl het Europees gemiddelde op 17,4% lag). Bij eenzelfde uurrooster en functie bestaat er nog een verschil van 5 tot 7%, wat duidelijk een geval is van pure discriminatie, die ongetwijfeld diep ingeworteld zit.
Verbetersporen
Om de loonkloof te verkleinen, dringen de vakbonden aan op maatregelen om de verschillende oorzaken van de ongelijkheid aan te pakken: oriëntatie op school, tekort aan diensten voor opvang en collectieve zorg, het statuut van deeltijds werkenden, het gebrek aan transparantie over de lonen en het personeelsbeleid van bedrijven, maar ook de functieclassificaties en de lagere waardering van traditionele vrouwensectoren en vrouwenberoepen. Deze laatste twee punten verwijzen duidelijk naar de loonongelijkheid (gelijk loon voor werk met eenzelfde waarde, wat verder gaat dan gelijk loon voor gelijk werk). Uit een ommetje naar Canada valt hier veel te leren.
Loongelijkheid in Canada
De loongelijkheid werd vanaf 1977 ingevoerd door de Canadian Human Rights Act. De toepassing ervan werd toevertrouwd aan een ad hoc-commissie, en lag dus niet op tafel bij onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Het loon moet afhangen van de bekwaamheid, de inspanning en de verantwoordelijkheid die nodig zijn om een werk te doen, evenals van de omstandigheden waarin dit werk wordt gedaan. Dat veronderstelt dus een puntensysteem voor de evaluatie van beroepen. Het lag niet in de bedoeling om de hoogste lonen af te toppen om te komen tot gelijkheid en dus kostte (of leverde, afhankelijk van het standpunt!) het systeem honderden miljoenen dollars (op), bovenop de loonsverhogingen die de vakbonden bedongen bij collectieve onderhandelingen. Het systeem kreeg onlangs een klap toen de conservatieve regering een nieuwe begrotingswet goedkeurde. Voortaan valt de loongelijkheid in de overheidssector niet meer onder de bevoegdheid van de ad hoc-commissie, maar maakt ze deel uit van de collectieve onderhandelingen. Duidelijker gezegd: dat betekent dat de vakbonden van het openbaar ambt in andere domeinen toegevingen zullen moeten doen, als ze de loongelijkheid willen behouden.
De redenering van een voorvechter van ongelijkheid
Een professor Politieke Wetenschappen van de Universiteit van Calgary verheugt zich in een commentaarstuk over deze wending (of achteruitgang, alweer naargelang het standpunt!). Hij wil zelfs dat het begrip loongelijkheid gewoon wordt geschrapt uit de wet en dat het blijft bij gelijk loon voor gelijk werk. Zijn argumentatie laat duidelijk zien hoe zo’n voorvechter van ongelijkheid echt denkt. Volgens hem betekent loongelijkheid een terugkeer naar het "middeleeuwse" begrip van de juiste prijs. Dat zou haaks staan op de basisprincipes van de markteconomie, die zouden zeggen dat het loon afhangt van vraag en aanbod. Loongelijkheid zou volgens hem willen zeggen dat eenzelfde waarde wordt toegekend aan een salade van appels, sinaasappels, bananen en peren als aan een steak, terwijl je beide gerechten gewoon op de toonbank zou moeten zetten en dan kijken wat de mensen willen geven voor het ene en voor het andere.
Verloning op basis van vraag en aanbod
In de nabije toekomst zou het best kunnen dat het nuttigen van een fruitsalade meer verantwoord zal zijn dan het eten van een steak en dat de markteconomie minstens even verouderd zal zijn als het economisch systeem van de middeleeuwen, maar dat is een andere discussie. Laten we eens uitgaan van de hypothese dat beroepen en functies moeten worden verloond op basis van vraag en aanbod. Moet voor beroepen en functies die doorgaans worden uitgeoefend door vrouwen dan minder worden betaald? Het is duidelijk dat er een grote vraag is naar traditioneel vrouwelijke beroepen en functies. Het gaat zelfs om een constante vraag die niet kan worden verhuisd naar lagelonenlanden: dat is het voordeel van taken die altijd opnieuw moeten worden uitgevoerd en die behoren tot de reproductieve sfeer … Het probleem is dat ook het aanbod even groot is. Er is niet alleen een indrukwekkende cohorte van vrouwelijke werklozen, maar er zijn ook alle prestaties die vrouwen vrijwillig leveren omdat ze in hun binnenste leven met het idee dat het hun rol is om dergelijke taken te vervullen zonder er een vergoeding voor te vragen. Hoe kunnen de lonen van vrouwen dan worden opgedreven? Het is niet nodig om de vraag of het marktaandeel nog te vergroten. Er moet dus iets gebeuren aan de aanbodzijde: "Neen, we zijn niet meer bereid om aan dit tarief te werken!", zou het eensgezind moeten klinken uit de mond van arbeidsters die vastzitten aan minimumlonen en van zogeheten "inactieve" vrouwen die geen minuut voor zichzelf hebben. Het zou uiteraard simplistisch zijn om de verantwoordelijkheid te leggen bij de individuen die werk zoeken of die een antwoord bieden. Het is de hele maatschappij (d.w.z. de individuen, de belangengroepen en de instellingen) die de waarde die wordt toegekend aan deze of gene job nog eens van alle kanten zou moeten bekijken en er zou moeten op toezien dat die waarde wordt vertaald in sociale lonen en rechten. Vandaar dat vakbondsacties vanuit veelzijdige, convergerende gezichtshoeken belangrijk zijn. Vandaar ook dat het belangrijk is om, met vrouwen en mannen, na te denken over de fundamentele waarde van werk zonder zich te laten verblinden door gewoontes die dankzij de crisis flink dooreen geschud zijn.