NIEUWS : Expertisecentrum » ICT, een kwestie van (on)macht?
Print Print
7 december 2010


ICT, een kwestie van (on)macht?


De digitale kloof bekeken door een genderbril…

Nieuwe informatie- en communicatietechnologieën lijken vandaag in het leven van mensen de gewoonste zaak te zijn Maar wie met een genderbril kijkt, ziet toch heel wat ongelijkheden.

In onze huizen, op het werk, in de publieke ruimte, iedereen lijkt zich de nieuwe technologieën eigen te hebben gemaakt, ook al zijn er minder vrouwen in de ICT-sector tewerkgesteld. Maar hoe staat het met de toegang van kansarme mensen tot de ICT, of met senioren, en vooral dan de vrouwen onder hen? En welke plaats wordt aan ICT toegekend in de socioprofessionele inschakeling ?

ICT, een dagelijkse realiteit voor kansarme vrouwen?

In eerdere nummers van Coulissen gaven we al aan dat gender niet louter een kwestie is van sekse, maar dat het gaat om rollen waartoe groepen van mensen – volgens bepaalde sociale breuklijnen – al dan niet toegang hebben, en om de macht (of onmacht) die daarmee gepaard gaat. Een van de belangrijkste breuklijnen is zeker sekse, maar we kunnen niet ontkennen dat ook tussen vrouwen onderling de machtsverschillen bestaan. Vandaar dat Flora vzw gender systematisch definieert op de intersectie tussen sekse en andere variabelen (scholing, etniciteit, enz…). Als we ICT vanuit gender bekijken, houden we dus niet alleen rekening met het geslacht, maar ook met andere sociale breuklijnen tussen vrouwen (en mannen) onderling. De genderanalyse van de digitale kloof heeft oog voor de toegang van diverse maatschappelijke groepen tot ICT. Dit is dus niet louter een kwestie van seksegebonden cijfers en percentages. Indien men de toegang tot deze technologieën enkel zou analyseren door zich op globale cijfers per sekse te baseren, kan men de indruk krijgen dat beide seksen zich ICT in het dagelijkse leven in vrij hoge mate hebben toegeëigend, zeker nu de samenleving steeds meer van elektronisch verkeer gebruik maakt om (met consumenten, burgers, werknemers, sociale netwerken…) te communiceren. Maar … wie met kansarme vrouwen (en mannen) werkt, is er zich scherp van bewust dat juist deze ’alledaagsheid’ van de nieuwe technologieën een nieuwe bron van uitsluiting vormt, en de kloof tussen rijk en arm nog vergroot. Informatie opzoeken, werkaanbiedingen vinden, zijn CV naar bedrijven sturen, geld afhalen bij de bank, zijn stem uitbrengen of een petitie tekenen, dit alles vereist – meer en meer - een minimaal begrip van informaticatoepassingen en hun gebruik. Een scherm, een muis, een elektronische postbus, dit zijn realiteiten die voor een - moeilijk in kaart te brengen - deel van de bevolking obstakels blijven. Het risico op toenemend isolement bij mensen in kansarmoede is dus reëel.

Gender is niet alleen een kwestie van sekse

Vooral de vrouwen in deze groep zijn kwetsbaar. Waar in de middenklasse de normen stilaan beginnen te veranderen, blijven in kansarme groepen de rollen nog scherp verdeeld volgens de sekse. Dit toont eens te meer aan dat indien men gender als emancipatorisch concept wil hanteren, men het op de intersectie van sekse en andere sociale breuklijnen moet definiëren. Mensen in armoede vinden hun belangrijkste bron van zelfwaarde in… wat ze bij zichzelf waarderen. De samenleving spreekt hen – in het kader van een goedbedoeld activeringsbeleid - immers vooral aan op hun tekorten, op wat ze nog niet kennen of kunnen. Vaak gaat dit gepaard met (impliciete of expliciete) negatieve stempels, zij het als ‘bijstandstrekkers’, ‘profiteurs’ of ‘vreemdelingen’. De vrouwen worden dan ook vooral door hun gelijken erkend voor de zorg die ze dragen voor hun naasten, kinderen, echtgenoten en/of ouders. Ze bekommeren zich om de keuken en de opvoeding van de kinderen, en voorzien opvang voor hun ouders en schoonouders. Maar welke plaats kunnen de nieuwe technologieën daarin krijgen? Opgeslorpt als ze zijn door hun dagelijkse taken, zijn deze vrouwen niet geneigd zich die vraag te stellen, zolang deze technologieën zich niet aan hen opdringen in het kader van wat ze als hun eerste opdracht beschouwen. Als een moeder niet in staat is haar kind op een goede manier van het internet gebruik te leren maken, of niet kan helpen iets op te zoeken voor een schooltaak, zal ze zich al gauw voelen tekortschieten in haar rol als ouder. Het zal dus vooral zijn om haar zorgarbeid goed te kunnen doen, dat ze de motivatie zal vinden om een informaticacursus te volgen, eerder dan voor haar persoonlijke ontplooiing, uit interesse voor de technologie of om een baan te vinden. Kansarme vrouwen moeten vaak al hun energie stoppen in het voorzien in de basisnoden van hun gezin – voeding, een woning, kinderen opvoeden- en zullen zich dan ook maar voor andere domeinen (of rollen) interesseren indien ze daar in het kader van hun zorgnoden op stoten.

Welke veerkracht tegenover de digitale kloof ?

De nieuwe technologieën worden, net zoals geletterdheid of talenkennis, een bron van uitsluiting en een sociale kloof: als men de trein van de ITC mist, riskeert men uit de boot van de samenleving te vallen. Tegenover dit nog relatief nieuwe fenomeen, die de samenleving grondig dreigt te verdelen, is een veerkrachtig antwoord nodig. De samenleving moet de capaciteit hebben om een nieuw evenwicht te vinden als antwoord op deze sociale en culturele verschuivingen als gevolg van technologische omwentelingen op het vlak van ICT. Om die veerkracht te verzekeren, moet ook een nieuw beleid ontwikkeld worden. Zolang men enkel (via fiscale voordelen) de aanschaf van een computer aanmoedigt – zoals in 2009 op nationaal niveau gebeurd is – en gelooft zo de digitale kloof te kunnen verminderen, blijft blind voor de rol die menselijke noden en behoeften spelen bij het verwerven van om het even welke technologie of kennis. Dit soort politiek blijft bovendien blind voor gemarginaliseerde groepen die het veel lastiger hebben om de nodige stappen te ondernemen die de wetgeving oplegt. Het blijft dan ook nog steeds een echte uitdaging om computergewenning en –beheersing voor iedereen toegankelijk te maken, door met name de ICT in andere leerprocessen te integreren. Opleidings- en inschakelingsorganisaties hebben op dit vlak dus een grote rol te spelen. Volwassenen die de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën nog niet op school leerden kennen, vallen vaak terug op sociale netwerken en organisaties om zich toch met de digitale wereld vertrouwd te maken. Ook jongeren leren de mogelijkheden van het internet en van ICT vaak vooral kennen door er onder elkaar mee bezig te zijn. Maar ook dit is een strategie waar mensen in kansarmoede niet op kunnen terugvallen. Ze hebben vaak niet het zelfvertrouwen of de sociale netwerken om op eigen houtje op verkenning te gaan in deze onbekende technologische en virtuele realiteit. Deze problematiek vormt actueel het voorwerp van Europees onderzoek (1).

Een efficiënte strategie?

De inschakelingsorganisaties staan dan ook voor een dilemma: velen van hen zijn er zich goed van bewust hoe belangrijk het is om in hun – vaak reeds overvolle – vormingsprogramma’s ruimte te maken voor kennismaking met informatica, en zo een weerwoord te bieden aan de digitale kloof. De verplichting om mensen in beperkte tijd op te leiden voor een specifiek beroep, maakt echter dat er voor deze bijkomende doelstellingen weinig ruimte en middelen overblijven. Organisaties die er toch voor kiezen een nieuwe cursus aan hun pakket toe te voegen, staan voor een aantal netelige kwesties, zowel financiële (subsidies vinden) als logistieke (een lokaal en materieel ter beschikking stellen) en menselijke (bijkomende taken toewijzen). Bovendien staan ze voor een paradoxale opdracht: enerzijds willen ze kwetsbare personen helpen zich in de socio-economische realiteit in te schakelen, anderzijds moeten ze weerstand bieden tegen maatschappelijke tendensen die – ook via ICT - uitsluiting creëert. Wat betreft de digitale kloof betekent dit concreet dat ze de doelgroep beter moeten toerusten om ook in de digitale samenleving een volwaardige plaats te kunnen innemen, terwijl ze tegelijk moeten vermijden zelf bijkomende druk uit te oefenen op de mensen in de organisatie. Hoe dit evenwicht te bewaken?

Dat ICT een drukkingsmiddel kunnen zijn, heeft twee kanten. Voor sommige groepen bieden ze mogelijkheden om burgerparticipatie te versterken – denk aan Birma waar de overheid het internet verstoort om te verhinderen dat de oppositie internationale zichtbaarheid krijgt. Maar voor andere groepen werpen ze juist bijkomende obstakels voor hun participatie aan het socio-economische leven. Sommige bedrijven vragen bij de aanwerving van nieuw personeel naar competenties op vlak van informatica, ook voor functies waar computergebruik niet tot de taken behoort. Onze neoliberale samenleving creëert zo – mede door het dominante financiële systeem dat op groei en winst is gericht – bijkomende sociale spanningsvelden. In dit systeem wordt vooral productieve arbeid gevaloriseerd, dat wil zeggen arbeid gericht op de productie van materiële, financiële en technologische noden. Dit gaat ten koste van de zorgarbeid en de sociale arbeid.

Ook de sociale en de zorgarbeid worden meer en meer aan de logica van de productieve arbeid onderworpen. Daarbij spelen de nieuwe technologieën een steeds grotere rol, aangezien ‘automatisering’ ook de winstmarges kan vergroten. De klemtoon komt meer en meer te liggen op kwantitatieve resultaten, ook al gaat dat vaak niet samen met meer of betere kwaliteit van de dienstverlening. Dat dit alles ook een negatieve invloed heeft op het welzijn van mensen (zelfarbeid), hoeft geen betoog.

Veerkracht als antwoord…

Veerkracht is dan ook het vermogen van de samenleving om de verschillende vormen van arbeid die de samenleving nodig heeft, weer in evenwicht te brengen, zonder onderlinge hiërarchie. Geloven dat technologische oplossingen alleen volstaan om mensen in kansarmoede beter in de samenleving in te schakelen, is dan ook een miskenning van de noden van deze mensen. Naast een specifieke vorming hebben ze ook nood aan een meer algemene benadering waarin ook zelfwaardering, alfabetisering en samenwerking een plaats krijgen. Bovendien is de inschakeling van mensen in kansarmoede een werk van lange adem, die vaak heel wat geduld en doorzettingsvermogen van de begeleiders vergt. De subsidiërende overheden hebben hier niet altijd voldoende oog voor. Ook zij zetten de organisaties onder druk, meer bepaald om bepaalde meetbare resultaten voor te leggen (aanwezigheden tijdens de vormingen, doorstromingscijfers naar tewerkstelling…). Organisaties die vooral de meest kwetsbare personen toegang tot het internet willen geven, worden zo onder druk gezet om toch eerder te gaan werken met mensen met wie ze ‘hun cijfers kunnen behalen’.

Om tot een meer duurzame samenleving bij te dragen, rekening houdend met de impact van een relatief nieuw fenomeen als de ICT, moet dus zowel gewerkt worden met de mensen die uit de boot vallen en met de organisaties die hen begeleiden als met de subsidiërende overheden. In de organisaties moet men zich de vraag stellen welke plaats men aan de nieuwe technologieën wil toekennen, een evenwicht zoekend tussen het comfort en het welzijn binnen de opleiding aan de ene kant, en de duurzame sociale inschakeling van kwetsbare groepen aan de andere kant. De subsidiërende overheden moeten dringend een uitweg zoeken voor de paradox waar de inschakelingsorganisaties voor staan, en samen naar nieuwe oplossingen zoeken. Daarbij is het met name belangrijk om ook kwalitatieve indicatoren te ontwikkelen die het ‘echte’ werk van de organisaties op vlak van inschakeling zichtbaar maken en valoriseren. Alleen zo kan er op meer duurzame wijze worden gewerkt aan het bestrijden van de digitale kloof en aan de socioprofessionele inschakeling in het algemeen.

Welke plaats moet in het landschap van de socioprofessionele inschakeling aan de ICT worden toegekend? Hoe kan de sector nog beter gesteund worden in zijn inspanningen om bij te dragen tot een duurzame inschakeling van kwetsbare mensen in de digitale samenleving? Deze en andere vragen worden momenteel onderzocht door een werkgroep die binnen het netwerk Flora werd opgericht, en zullen het voorwerp uitmaken van een studiedag “ICT, een kwestie van onmacht? De antwoorden van de socioprofessionele inschakelingsector op de digitale kloof” die Flora op 4 mei 2011 organiseert. We nodigen u alvast uit om met ons na te denken over diverse mogelijke pistes - zowel op het niveau van de organisaties als van het beleid – voor de duurzame inschakeling van vrouwen (en mannen) met de ICT . Het thema zal eveneens al worden aangekaart op de studiedag over “Burgerparticipatie” die Flora organiseert op 23 februari 2011 (2). Blokkeer alvast deze data in uw agenda!

Voetnoten

(1) Alexandra HACHE & Joe CULLEN, ICT and Youth at risk. How ICT-driven initiatives can contribute to their socio-economic inclusion and how to measure it, Institute for Prospective Technological Studies, 2009.

(2) Voor alle inlichtingen betreffende deze Flora Studiedagen kan u zich wenden tot Isabelle De Vriendt, via isabelledevriendt[a]florainfo.be

Isabelle De Vriendt