Op 13 september ll. vond de Netwerkvergadering van Flora plaats. Sinds dit voorjaar wordt binnen Flora een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de netwerkvergaderingen (uitwisseling tussen de leden met inbreng van het team) en de bestuursvergaderingen van de vzw Flora (Algemene Vergadering en RvB). Uiteraard wordt er over gewaakt dat er over het bestuur voldoende transparantie blijft bestaan naar het netwerk toe, maar de klemtoon in de netwerkvergaderingen ligt meer op inhoudelijke discussies. Dit was ook de oorspronkelijke bedoeling van het netwerk. Flora ‘nieuwe stijl’ dus, maar ook ‘terug naar de bron’!
Vanuit de leden was het voorstel gekomen om te overleggen hoe de diverse projecten die door de lidorganisaties en door Flora ontwikkeld worden, elkaar kunnen versterken. Ten eerstewerd vanuit het team een kader aangereikt dat moet toelaten een ‘gezamenlijke woordenschat’ te ontwikkelen om over de projecten te reflecteren. Vervolgens woerden er twee ‘casussen’ voorgesteld, één Franstalig tewerkstellingsproject (AuPlusNet) en één Nederlandstalig opleidingsproject (Groep Intro Brussel). Daarna volgde er een bredere discussie over de wijze waarop andere organisaties hun projecten zien, en over de vraag of het aangereikte kader helpt om deze visie te verduidelijken.
In het artikel "Arbeid en levensloop" maakte u al uitgebreid kennis met het kader van Flora. Het kader zoals beschreven, werd reeds bijgestuurd vanuit de discussie op de Netwerkvergadering. In wat volgt, brengen we verslag uit van de twee casussen en de daarop volgende discussie.
Casus 1: AuPlusNet te Namen (Marie-Paule Nijskens)
AuPlusNet is een coöperatieve vereniging actief in poetshulp, en werkt ook met dienstencheques. De organisatie is ontstaan als resultaat van 20 jaar denkwerk in het kader van Forma, een inschakelingsbedrijf (Entreprise de Formation par le Travail) voor vrouwen voor wie de school tekortgeschoten is. Deze vrouwen hebben zeer uiteenlopende parcours, maar beslissen op een bepaald moment dat ze willen werken, en komen dan naar Forma, dat hen een vormingsparcours aanbiedt. Daarna komen ze eventueel naar AuPlusNet waar ze een contract van onbepaalde duur krijgen. Aanvankelijk stelde AuPlusNet 3 vrouwen tewerk, nu zijn het er al 31 (niet meer alleen afkomstig van Forma). Ze hebben zeer uiteenlopende competenties, maar hun noden zijn nog dezelfde als tijdens hun vormingsparcours: soms staan ze alleen aan het hoofd van een grote familie, of hebben ze geen goede woning, zijn ze na 2 dagen al uitgeput of vinden geen oplossing tijdens de schoolvakanties.
AuPlusNet wil rekening houden met de verschillende functies van arbeid (productie, reproductie, sociale arbeid, zelfarbeid). Enerzijds door zich als ‘sociaal’ schoonmaakbedrijf te positioneren tegenover de traditionele schoonmaakbedrijven waar vaak geen aandacht wordt besteed aan de specifieke (zorg)situatie van de tewerkgestelde vrouwen. In deze bedrijven ligt de focus (bijna) volledig op het productief zijn, op het maken van winst en dit vaak ten koste van de werkneemsters. Anderzijds wil AuPlusNet haar werkneemsters ook de kans geven, op zoek te gaan naar een persoonlijk evenwicht tussen de verschillende functies van arbeid. Dit is niet altijd eenvoudig te verzoenen met de poetsactiviteiten. De klanten die weten wat het ideaal van AuPlusNet is, maken dat mogelijk; zij willen ook graag dezelfde poetshulp behouden, en weten dat ze dan rekening moeten houden met haar zorgarbeid. Als een kind bvb zegt dat het niet blij is dat zijn mama niet meer bij hem zal zijn, dan past men de uurroosters aan.
Loonarbeid is de ingangspoort voor de andere dimensies, maar op voorwaarde dat de werkgever er aandacht aan geeft. Het moet voor de vrouw doenbaar blijven om haar werk te doen, niet alleen vandaag maar ook nog over een jaar. Sommige bedrijven voorzien een crèche of strijkdienst voor hun werknemers, en bieden hun kaderpersoneel stimulansen om aan sociaal werk te doen of zich te ontspannen. Hoe kan een jong bedrijf als AuPlusNet zijn winsten op een duurzame wijze doorberekenen naar de werksters? Welke voordelen kan het bieden?
Er wordt binnen de lidorganisaties veel ruimte gemaakt voor het beheer van de zorgarbeid, maar hoe zit het met de sociale en zelfarbeid? Aangezien de vrouwen zeer uiteenlopende en veelvoudige problemen hebben, is het voor sommige organisaties moeilijk dit in groep te organiseren. Men moet echter opletten dat men de problemen niet isoleert als de vrouwen niet zien dat de anderen ook problemen hebben (zelfs als het om andere problemen gaat). Er is hiervoor te weinig tijd beschikbaar; lobbywerk hierrond is nodig. Nu ontstaat er een tendens naar specialisatie (diverse noden worden naar verschillende diensten doorverwezen), maar is dat een meerwaarde voor de persoon?
Casus 2: Groep Intro Brussel (Lieven Monserez)
Lieven Monserez schetst de situatie van Groep Intro Brussel aan de hand van een sprookje: “Er waren eens Brusselaars…”, die zich verenigden, vanuit een engagement om iets ‘voor kansarme Brusselaars’ te doen. Ze streefden naar een integrale benadering. Ze kozen een minister. De minister zette een organisatie op poten, haalde enkele Brusselaars in zijn kabinet, stelde Brusselse vormingswerkers aan, en een administratie, en nog een administratie naast de vormingswerkers om hen te vragen duidelijk te registreren, te meten wat ze nu precies doen. Dit meetsysteem wordt echter stilaan een doel in plaats van een middel, er moet gemeten worden om te weten wat er effectief gerealiseerd wordt en dit moet een ondersteunend systeem worden en geen belastend. Het wordt een grote constructie, dus komt er een tweede minister bij, en een staatssecretaris. Hun bevoegdheden betreffen cultuur, onderwijs en welzijn. Elk heeft zijn eigen administratie. Dan moet er een structuur komen die boven die drie bevoegdheden staat… en zo gaat het verhaal verder.
Groep Intro Brussel zet een poetsopleiding op, niet alleen met het oog op het verhogen van de integratiekansen op de arbeidsmarkt, maar ook in de samenleving. Werk hebben betekent immers veel meer dan een inkomen verwerven: sociale status, sociale contacten, persoonlijke ontwikkeling, structuur… Er gaat heel wat aandacht naar de persoonlijke groei van de deelnemer. De administratie Onderwijs beschouwt dit niet als onderwijs, en ook de andere administraties vinden dat het niet onder hun bevoegdheid valt. Vanuit de buurtdiensten herkent men deze problematiek. Zij proberen tegelijk aan onderwijs, vorming, participatie en dienstverlening te doen, maar de bevoegdheid voor de buurtdiensten zit niet langer in één enveloppe. Zij moeten voor hun subsidies dan ook gaan shoppen bij diverse ministers, en pas als alle vier de ministers gezamenlijk akkoord zijn, komt elk van hen over de brug met centen.
De kern van dit verhaal is dat het in een dergelijke context moeilijk blijft om mensen ‘integraal’ te benaderen, hen als een totaliteit te blijven zien en hen niet te verengen tot deelaspecten die passen in een bestuurlijke opsplitsing. Geïntegreerd werken én samenwerking worden inhoudelijk gepromoot maar meteen “vormelijk- administratief” doorverwezen naar ander deelterrein van de administratie en/of beleidsvoerders. Men moet bovendien opletten dat men de vrouwen niet impliciet de schuld geeft van de problemen, maar steeds oog blijft hebben voor de structurele oorzaken van de moeilijkheden. Het zou in die zin belangrijk zijn om een overkoepelend ‘stedelijk beleid’ te ontwikkelen, in plaats van het beleid op te splitsen vanuit verschillende ‘deelproblemen’.
Discussie
De verhalen van AuPlusNet en Groep Intro Brussel zijn in feite gelijklopend; in het eerste geval ziet men dat het op individueel niveau moeilijk is om een evenwicht te vinden tussen de verschillende vormen van arbeid. AuPlusNet – als werkgever – worstelt hiermee. In het tweede voorbeeld zie je dat het op organisatieniveau haast onmogelijk wordt om vanuit een integrale benadering te werken. De verkokering (in sectoren) op politiek niveau blokkeert de projecten en slorpt veel energie op. Bovendien wordt er geen duurzame politiek ontwikkeld, de tijdshorizon is beperkt door de verkiezingen. Zowel voor de mensen uit de doelgroep als voor de organisaties leidt dit tot problemen.
Doordat de functies van arbeid worden opgesplitst, valt de integrale benadering weg: indien men alleen mag focussen op ‘kwalificatie’ (voor loonarbeid), dan zijn er uiteraard anderen die dat efficiënter en goedkoper kunnen. Hoewel er een ‘sociaal’ discours gevoerd wordt, komt daar in de realiteit niet veel van terecht; we moeten dit discours dan ook doorprikken. Men stelt het voor alsof loonarbeid tot de oplossing van alle problemen van de persoon in inschakeling zal leiden, terwijl juist de opsplitsing tussen de verschillende vormen van arbeid tot bijkomende problemen leidt.
Loonarbeid kan inderdaad toegang geven tot de andere vormen van arbeid, maar alleen als die op een bepaalde wijze georganiseerd wordt. Er dient dan ook een kwalitatieve analyse van de werking van de organisaties te gebeuren: beantwoordt dit nog aan de noden van de doelgroep? Men ziet dat de paradox van de activering (vrouwen krijgen impliciet de schuld van hun uitsluiting) exponentieel groter wordt op politiek niveau: de kloof tussen het sociale ‘discours’ en wat in de realiteit gebeurt, vergroot nog het schuldgevoel en minderwaardigheidsgevoel van de vrouwen. De organisaties situeren zich tussen de doelgroep en de overheid, en beleven dit als een spanningsveld. Het is dan ook van belang een ander discours te ontwikkelen, zowel met beleidsmakers en onderzoekers als met de vrouwen uit de doelgroep.