Flora start met een nieuw project in het kader van Sociale Economie dat focust op het systeem van de dienstencheques. Meer specifiek belichten we de voorwaarden die noodzakelijk zijn om tot een duurzame tewerkstelling van kansarme, laaggeschoolde vrouwen te komen. Tijdens de netwerkvergadering van 4 december 2008 werd een eerste brainstorm gehouden; we geven u alvast enkele denkpistes mee.
De doelstellingen die het beleid met het systeem van de dienstencheques voor ogen had, waren meervoudig. Het systeem zou bijdragen tot het inschakelen van laaggeschoolden, het bestrijden van zwartwerk en het bieden van goedkope huishoudhulp om de combinatie arbeid - gezin te vergemakkelijken.
De laatste doelstelling – combinatie arbeid en gezin – komt vooral ten goede aan (middenklasse) tweeverdieners. Die kunnen zich dankzij de mensen die in het kader van de dienstencheques bij hen thuis komen werken, officieel van een aantal taken ontdoen. Het systeem werkt zelfs zo goed dat men nu met het idee speelt om het aanbod via dienstencheques uit te breiden naar de kinderopvang, hoewel dit niet getuigt van veel respect voor de professionele kwalificaties die vereist zijn om kinderen op te voeden.
We kunnen ons de vraag stellen of ook de mensen in het systeem van de dienstencheques werken, zelf wel arbeid en gezin kunnen combineren? De vereiste flexibiliteit en het vele werk dat op een beperkt aantal werkuren dient te worden verricht, noopt deze werkneemsters er vaak toe hun familiaal leven te organiseren op een wijze die het gezin niet noodzakelijk ten goed komt.
De strijd tegen zwartwerk lijkt haar vruchten af te werpen, maar tegen welke prijs? Vandaag kunnen we ons afvragen hoeveel dit officieel (wit) werk bijdraagt tot de sociale zekerheid, en wat het aan de staat kost om dit beleid te ondersteunen?
En wat met inschakeling? …
Het is vooral dit aspect dat Flora interesseert. In dit project buigen we ons over de vraag: “Welke kwaliteitscriteria zijn nodig om tewerkstelling via de dienstencheques effectief en duurzaam toegankelijk te maken voor de meest kwetsbare groep, d.i. de laaggeschoolden/ kansarmen? “
Kansarmoede vertaalt zich op verschillende manieren en kan dus via verschillende invalshoeken benaderd worden:
vanuit het inkomen
vanuit scholing
vanuit taalbeheersing
vanuit opleiding en vorming
vanuit mobiliteit
vanuit sociaal netwerk
…
Al deze elementen versterken elkaar onderling, en maken de vicieuze cirkel waarin de kansarme vrouwen zich bevinden, steeds moeilijker te doorbreken.
Tijdens de voorbije bijeenkomst van het Netwerk Flora op 4 december 2008 kropen de deelnemers in de huid van een werknemer, klant of werkgever van een dienstenchequebedrijf en probeerden zich zo in te leven in de verwachtingen die er bij elk van deze groepen leven en zicht te krijgen op de criteria voor een duurzame tewerkstelling.
Opvallend was dat de deelnemers veel moeite hadden om zich als werkgevers in de reguliere economie te positioneren, waarvan de belangrijkste doelstelling ‘winst maken’ is. Ze vertolkten vooral de visie en ervaringen van sociale economiebedrijven die de inschakeling van laaggeschoolde personen als belangrijkste missie hebben. De verwachtingen die vanuit deze positie werden geformuleerd, verschilden op heel wat punten van die welke vanuit het standpunt van een “klassiek” bedrijf naar voren werden geschoven.
Natuurlijk kan men stellen dat beide werkgevers als doel hebben om geld op te brengen; wat er met dit geld gedaan wordt, verschilt in beide sectoren. Voor de dienstenchequeverstrekkers uit de sociale economie is investeren in de duurzame tewerkstelling van kansengroepen duidelijk prioritair.
Uit de analyse van het op de bijeenkomst verzamelde materiaal bleek dat - om tot een duurzame tewerkstelling van deze groepen te komen - er dringend werk gemaakt moet worden van het bestendigen van de subsidies in het kader van de dienstencheques.
In de privé-sector dankt het dienstenchequesysteem zijn succes aan de aanvullingen op de werkloosheidsuitkeringen en/of aan de afwijkingen die tijdens de eerste maanden van tewerkstelling worden toegestaan, en die maken dat men de werkneemsters onder gelijk welke voorwaarden kan laten werken. Na zes maanden worden de werkneemsters vaak uit het systeem gesloten omwille van wat men dan een “gebrek aan motivatie” noemt, en de werkgever kan dan opnieuw personen aanwerven die op hun beurt erg ‘flexibel’ kunnen worden ingezet.
In de sector van de sociale economie functioneert het systeem op basis van andersoortige subsidies (activa, sine,…) die slechts tijdelijk zijn, ook al is de termijn langer dan de zes maanden van de privé-sector. Dit heeft als gevolg dat organisaties – ook al willen ze hun werkneemster zo lang mogelijk tewerk stellen – niet over de middelen beschikken om werk voor meer dan een paar jaar te voorzien.
In beide ‘sectoren’ stelt zich met andere woorden de vraag naar de duurzaamheid van de tewerkstelling, ook al verschilt de gemiddelde duur van tewerkstelling die momenteel gerealiseerd wordt.
Het onderzoek van Flora ging nog maar net van start…alle ideeën zijn dus welkom. Er zullen zowel langs Nederlandstalige als Franstalige rondetafels worden georganiseerd, al wie interesse heeft, kan contact opnemen met Sofie Giedts (NL) sofie@florainfo.be 02/204 06 46 Barbara Brunisso (FR) barbara@florainfo.be 02/204 06 43
Data van de rondetafels:
• Rondetafels NL: 17/02 – 13/3 – 3/04
Locatie: Flora vzw, Vooruitgangstraat 323, 1030 Brussel.
• Rondetafel FR: 19/02 – 11/03 – 1/04
Locatie: Interfédé, Rue Marie-Henriette 19/21, 5000 Namur