In deze nieuwe publicatie gaat Flora vzw na in hoeverre de tentoonstelling “Vrouwelijk meervoud/Féminin pluriel – gerealiseerd door kansarme vrouwen in inschakeling – heeft bijgedragen tot het versterken van de culturele of maatschappelijke participatie van de betrokken vrouwen. Ook wordt onderzocht in hoeverre de tentoonstelling kan gehanteerd worden als hefboom voor culturele participatie. In de publicatie zijn zowel reacties uit het veld als theoretische reflecties opgenomen… de voortdurende wisselwerking tussen beiden leidde tot interessant discussiemateriaal. De rondreis van de tentoonstelling gaf Flora vzw de mogelijkheid haar achterliggende visie te toetsen aan de ervaringen op het terrein.
Stimuleert de expo cultuurparticipatie?
Reacties uit het veld
Zowel de reacties van bezoeksters die zelf ook in kansarmoede leven, als deze van een ruimer (en rijker) publiek tonen aan dat de tentoonstelling en de manier waarop hieraan werd gewerkt, heel wat mogelijkheden tot cultuurparticipatie in zich dragen.
Lees meer: pagina 11 - 22…
Cultuurparticipatie door arbeid
Theoretische reflectie
Flora vzw werkt vanuit de sector van de sociale inschakelingeconomie aan de maatschappelijke participatie van kansarme vrouwen. Flora en haar partnerorganisaties zijn ervan overtuigd dat aandacht voor cultuurparticipatie - ook in de inschakelingsector - kan bijdragen tot een meer duurzame, maatschappelijke (professionele én sociale) inschakeling.
Vanuit het jarenlang werken met de doelgroep heeft de vzw Flora een visie op socio-professionele inschakeling ontwikkeld waar participatie een integraal deel van uitmaakt. In deze visie mogen cultuurparticipatie en socio-professionele inschakeling niet als aparte domeinen benaderd worden.
Samen met de tentoonstelling verfijnde Flora deze visie op cultuurparticipatie: een aantal elementen werden bevestigd, anderen werden toegevoegd, nog anderen werden in vraag gesteld, …
Welke visie hanteert Flora vandaag?
Lees meer: pagina 25…
Een expo als hefboom?
Conclusies
Doorheen het project werd getoetst in hoeverre de gehanteerde werkwijze in diverse contexten bruikbaar is om initiatieven van participatie en cultuurparticipatie te ondersteunen. Hoe kan een expo als deze een hefboom voor culturele participatie worden? We vatten in wat volgt de belangrijkste conclusies nog eens samen.
Maatschappelijke problematiek
Kansarme en laaggeschoolde vrouwen participeren zeer weinig aan cultuur. Dat dit het gevolg is van een complex geheel van structurele en culturele mechanismen van uitsluiting en marginalisering, is ook door anderen herhaaldelijk aangetoond.
De expo “Vrouwelijk meervoud” is opgebouwd vanuit een visie waarin juist deze brede maatschappelijke problematiek als uitgangspunt wordt genomen.Daarbij maakt Flora gebruik van een visie op ‘arbeid’ als centrale notie. Welke vormen van arbeid heeft een samenleving nodig om goed te functioneren en zich te reproduceren? En hoe worden die verschillende functies tussen mensen verdeeld en gevaloriseerd? Hoe krijgen mensen het gevoel dat ze überhaupt iets aan de samenleving bij te dragen hebben? Maatschappelijk functioneren, arbeid en participatie zijn dan ook eng met elkaar verbonden. Cultuurparticipatie in enge zin moet worden ingebed in participatie aan de samenleving in brede zin.
Reeds van bij de opbouw vertrok de expo van de complexe, vaak onzichtbare en onbewuste maatschappelijke uitsluitingsmechanismen waar deze doelgroep mee geconfronteerd wordt. Inhoudelijk gaf ze zichtbaarheid aan hun ‘beleefde’ wereld, aan hun invulling van ‘arbeid’. Bovendien vertolkte ze de visie dat ‘participatie’ niet alleen van de kant van de mensen in de marge moet komen, maar een tweerichtingsverkeer is. Door hun ‘beleefde’ wereld, hun ‘cultuur’ te documenteren en in publieke ruimten en bredere fora te presenteren, werd ook het ruimere publiek uitgenodigd om de kloof te overbruggen. Participatie werd dus niet benaderd vanuit een verondersteld ‘tekort’ bij de doelgroep (wat opnieuw een vorm van marginalisering zou betekend hebben), maar juist vanuit de impliciete boodschap dat deze vrouwen wel degelijk iets waardevols te bieden hebben.
Cultuurparticipatie stimuleren zonder de ruimere, vaak impliciete uitsluitingsmechanismen mee in beschouwing te nemen, heeft weinig zin. Participatie moet dan ook een transversaal element van beleid worden. Voor het functioneren van de samenleving (arbeid in ruime zin) is het van belang dat alle burgers zich bewust zijn van de bijdrage die ze aan die samenleving kunnen leveren. De expo van Flora hielp hen om zich daarvan bewust te worden, hun zelfvertrouwen en hun trots te versterken. Ze gaf de vrouwen het gevoel van erbij te horen, iets te kunnen tot stand brengen waar ook anderen iets aan hebben.
Culturele problematiek
In dit project werd cultuurparticipatie niet vooraf ingevuld als toeleiden van laaggeschoolde vrouwen naar een bestaand cultuuraanbod, noch als het ontwikkelen van hun ‘eigen’ (niche van) cultuurproductie. Als deze vrouwen ‘niet participeren’, is dat ook omdat de samenleving (te) weinig openstaat voor hun leefwereld, hun codes. Hun ‘beleefde cultuur’ wordt zelden gedocumenteerd en (op artistiek verantwoorde wijze) aan een ruimer publiek ‘getoond’; dit is wat in dit project wel gebeurde. Voor veel vrouwen werd zo de drempel tot het bezoeken van een tentoonstelling of een cultuurhuis geslecht. Zowel voor de organisaties die mee voor het aanbod instonden als voor het ruimere publiek bood de expo de kans om de leefwereld van de doelgroep te leren kennen, en te waarderen wat deze vrouwen samen tot stand hebben gebracht.
De expo “Vrouwelijk meervoud” belichaamde een visie op participatie waarin ontmoeting tussen verschillende culturen en leefwerelden centraal staat. Om met anderen in ontmoeting te treden, is het evenwel belangrijk om zich eerst de eigen cultuur toe te eigenen, om een ‘reflectie’ op de eigen leefwereld te ontwikkelen. Daarom vertrok de expo van een sociaal-artistiek proces, waarin gezocht werd wat de vrouwen kennen en kunnen, hoe hun leefwereld het vertrekpunt van artistieke expressie kan zijn, en hoe ze dit door samen te werken kunnen transformeren in iets wat het individuele verhaal overstijgt. Door in het kader van de expo gezamenlijke kunstwerken tot stand te brengen, kregen de thema’s die ze uitdrukten een collectieve vorm. Op die manier werd de herkenbaarheid van de expo voor de vrouwen zelf versterkt, en de toegankelijkheid voor het ruimere publiek verhoogd.
Er dient evenwel verder onderzocht te worden hoe dit proces nog beter ondersteund kan worden, hoe het tot een echte uitwisseling kan leiden. Het valt immers niet te ontkennen dat er een verschil in status (en macht) bestaat tussen de doelgroep en de ‘actoren’ (begeleiders, cultuurproducenten, programmatoren, vormingswerkers…) in de sociale en culturele sector. Hoe kan participatie echt tot een ‘gezamenlijk vormgeven aan cultuur en samenleving’ bijdragen? Hoe vermijden we het risico dat ‘verruiming’ van de eigen cultuur (of toe-eigening van de ‘vreemde’ cultuur) voor deze vrouwen in ‘vervreemding’ (afstand tot de ‘eigen’ cultuur) uitmondt?
Genderproblematiek
In de visie op participatie die via de expo verkend en in kaart gebracht werd, is gender een centraal gegeven. Gender betreft de diverse rollen en taken (vormen van ‘arbeid’) die mannen en vrouwen in onze samenleving (kunnen) opnemen. Doordat laaggeschoolde vrouwen overwegend instaan voor de zorgarbeid, hebben ze zeer weinig toegang tot de ‘publieke’ ruimte. Hun leefwereld wordt (zowel in fysieke als in psychologische zin) beperkt tot de private ruimte. Vaak worden vrouwen in situaties van kansarmoede reeds op jonge leeftijd veel meer dan hun mannelijke gezinsgenoten met zorgtaken opgezadeld. Ze krijgen zo minder toegang tot plaatsen waar ze anderen kunnen ontmoeten en waar ze zich van hun eigen positie in (en bijdrage tot) een ruimere groep bewust kunnen worden. Als deze vrouwen niet aan cultuur participeren, geen tentoonstellingen of andere cultuurmanifestaties bezoeken, dan is dat vaak doordat ze ervan uitgaan dat dit niet ‘voor hen’ is. Door in de opbouw van de expo te vertrekken van ‘expressieve’ activiteiten die aansluiten bij de leefwereld en de zorgtaken van de vrouwen, kon deze drempel worden overstegen. Voor vrouwen is het een ‘vertrouwde’ bezigheid om te naaien, en is het – misschien meer dan voor mannen - ‘aanvaardbaar’ om expressieve activiteiten uit te oefenen. In die zin valoriseerde de tentoonstelling de taken en rollen die traditioneel aan vrouwen worden toegewezen. Bovendien verplaatste ze deze activiteiten naar de publieke ruimte, waardoor voor vele vrouwen voor het eerst de drempel geslecht werd. Ook op dit punt vertrok de expo dus van de leefwereld van de vrouwen. Juist door deze zichtbaar te maken en waardigheid te geven (door het te tonen in ruimten van ‘gecanoniseerde’ cultuur) werd het voor de vrouwen mogelijk de beperkingen die het klassieke rollenpatroon hen oplegt, te doorbreken.
Door op deze manier een positief zelfbeeld bij de vrouwen te versterken, hun expressieve en ‘zorgende’ vaardigheden te ontwikkelen en te valoriseren, heeft de expo ook hun burgerschap en hun sociaal kapitaal ondersteund. Ze ontdekten dat ook zij ‘zin’ kunnen putten uit deelname aan een cultureel evenement, en –via de kunstwerken – mensen kunnen ontmoeten, inspireren, ontroeren. De expo leert ons dat om de participatie van laaggeschoolde vrouwen te versterken, er vertrokken moet worden van een genderanalyse van arbeid. Alleen op die manier worden de onderliggende drempels zichtbaar en kan naar ‘pertinente’ oplossingen worden gezocht.
Socio-economische problematiek
Vaak is vorming of tewerkstelling (‘productieve’ arbeid) voor laaggeschoolde vrouwen de enige aanvaarbare piste om de privé-sfeer te verlaten en toegang tot de publieke ruimte te verkrijgen. De wijze waarop ‘arbeid’ in de economische sfeer wordt ingevuld, staat echter op gespannen voet met participatie. Activering naar de arbeidsmarkt legt vaak eenzijdig de nadruk op de ‘tekorten’ van de vrouwen, tekorten in hun kennis, vaardigheden, competenties of motivatie. Dit ondermijnt hun gevoel iets constructief tot de samenleving te kunnen bijdragen, en versterkt hun marginalisering. De basisvoorwaarde voor participatie komt op die manier onder druk te staan.
Bovendien hebben deze vrouwen vaak alleen toegang tot beroepen in de zorgsfeer die fysiek belastend zijn. Na een dag poetsen hebben velen van hen geen energie meer over om nog aan activiteiten buitenshuis te participeren. Daarenboven rust de zorglast voor de kinderen op hun schouders, wat hun ‘vrije tijd’ in grote mate opslorpt. Verder verdienen ze weinig, en staan ze binnen het gezin vaak alleen in voor alle kosten die met de zorg voor en opvoeding van de kinderen te maken hebben. Ook dit leidt tot drempels voor cultuurparticipatie: deze vrouwen beschikken vaak noch over de tijd, noch over de middelen voor deelname aan cultuur (en voor de bijkomende kosten van vervoer en kinderopvang).
De expo werd opgebouwd en bezocht door vrouwen die in een opleidings- of tewerkstellingsproject betrokken waren. De organisaties die met deze vrouwen werken, definiëren hun taak dus ruimer dan (het toeleiden naar) loonarbeid, maar maken ook ruimte, tijd en middelen voor expressieve en sociale activiteiten. De sectoren en bedrijven in de zogenaamd ‘reguliere’ economie waar deze vrouwen tewerkgesteld worden, zijn overwegend gericht op efficiëntie en productiviteit. Aan hoger geschoolden worden wel vaak sociale en culturele activiteiten aangeboden (zoals bvb teambuilding of gratis tickets voor gesponsorde cultuurevenementen), omdat men ervan uitgaat dat dit de productiviteit van het team en de rentabiliteit en het imago van het bedrijf ten goede zal komen. Voor laaggeschoolde vrouwen worden deze activiteiten veeleer als een ‘verlies van productiviteit’ beschouwd. Het gevolg is dat deze vrouwen binnen de werkuren bijna uitsluitend met vaak fysiek belastende arbeid bezig zijn, en bovendien impliciet de boodschap krijgen dat het niet rendabel of niet verantwoord is om in culturele of sociale activiteiten voor hen te investeren. Ook zo wordt de basisvoorwaarde voor participatie (vanuit arbeid) ondermijnd.
De expo leert dat om de cultuurparticipatie van deze vrouwen te versterken, men ook moet werken aan de drempels die vanuit de socio-economische realiteit ontstaan. Culturele en expressieve activiteiten zoals de expo leggen de basis voor zelfvertrouwen en bouwen bruggen naar de ruimere samenleving. De sociaal-artistieke activiteiten sloten aan bij de arbeidssituatie van vrouwen doordat ze vertrok vanuit de organisaties voor opleiding en tewerkstelling en doordat ze zichtbaarheid gaf aan de vele ‘arbeid’ die deze vrouwen verrichten. Voor bedrijven die duurzame en kwaliteitsvolle tewerkstelling van deze doelgroep willen nastreven, vormt cultuurparticipatie (op een adequate manier ingevuld) een cruciaal vertrekpunt. Hiertoe moeten wellicht innovatieve visies op HRM en nieuwe partnerschappen ontwikkeld worden; duurzaam ondernemen kan bvb een kader bieden om rond cultuurparticipatie te werken. Dat cultuur de motor van economische ontwikkeling is, werd ook reeds door anderen beargumenteerd. De expo leerde ons hoe dit voor de doelgroep van laaggeschoolde vrouwen concreet vorm kan worden gegeven.
Rol van het middenveld
Deze expo werd opgebouwd met organisaties die actief zijn in vorming en tewerkstelling met laaggeschoolde vrouwen; zij kunnen een doelgroep bereiken die de (socio)culturele sector vaak moeilijk of niet bereikt. Zij bieden voor de vrouwen een veilige omgeving om hun grenzen te verleggen. Door in het kader van de expo met andere organisaties, vaak uit andere hoeken van het land samen te werken, gaven ze belangrijke aanzetten tot cultuurparticipatie door deze groep. De culturele sector heeft hiertoe niet dezelfde mogelijkheden als de sector van de socio-professionele inschakeling.
De ervaringen met de expo hebben duidelijk gemaakt dat organisaties in het middenveld een unieke rol kunnen spelen in het doorbreken van de vicieuze cirkels die maken dat kansarme vrouwen geen toegang hebben tot cultuur. Door in hun werking ruimte te maken voor diverse vormen van arbeid en door samen te werken aan een collectief project creëren ze plekken voor participatie die elders moeilijk of niet te realiseren zijn. Bovendien bieden ze een ruimte voor sociaal leren die voor deze vrouwen van cruciaal belang zijn. Het activeringsbeleid viseert noodgedwongen de individuele werkzoekende; bij de doelgroep komt dit vaak als bedreigend over. Het socio-cultureel werk en de cultuursector formuleren een aanbod voor de cultuurconsument, maar ze slagen er niet in deze doelgroep over de drempel te krijgen. Indien het beleid daadwerkelijk participatie wil versterken, dan dient de rol van het middenveld, en meer bepaald van de socio-professionele inschakelingssector verder onderzocht en ondersteund te worden. Als ‘arbeid’ inderdaad een sleutelbegrip is voor het bevorderen van participatie, dan dient ook verder gekeken te worden hoe de sectoren van tewerkstelling en cultuur hierbij een complementaire rol kunnen spelen en elkaar kunnen versterken.
De ervaring met de Expo wijst uit dat cultuurparticipatie een uitgelezen vertrekpunt is om het zelfvertrouwen van laaggeschoolde vrouwen te versterken en hun sociaal isolement te doorbreken; deelnemen aan een project zoals deze expo legt zo de basis voor burgerschap en activering in de ruime zin van het woord…
U kan de volledig publicatie hier lezen.