NIEUWS : Expertisecentrum » Begrijp me niet verkeerd...
Print Print
3 juni 2010


Begrijp me niet verkeerd...


Over de rol van taal en taalgebruik in opleidings-, werkervarings- en tewerkstellingsorganisaties.

Werken aan een evenwichtige samenleving

2010 is voor Europa niet alleen het jaar van de strijd tegen armoede en uitsluiting, maar ook… het jaar van de biodiversiteit. Biodiversiteit is het waarborgen van een diversiteit aan natuurlijke hulpbronnen in een wereld waarin de aarde door de drang naar (over)productie – via monocultuur – dreigt uitgeput te raken. Deze drang naar productie en efficiëntie vinden we ook terug in de sociale verhoudingen die worden beheerst door de productie van goederen en rijkdom. Men heeft de neiging om productiviteit en efficiëntie over te waarderen, waardoor niet alleen het sociale leven, maar ook het persoonlijk welzijn van mensen rake klappen krijgen. Door enkel in te zetten op productiviteit, dreigt m.a.w. ook de diversiteit in de samenleving verstoord te raken. Om goed en duurzaam te functioneren heeft een samenleving immers nood aan productieve arbeid, zorgarbeid, sociale arbeid en zelfarbeid…dit creëert evenwicht. Flora ziet het dan ook als haar taak om in haar strijd tegen armoede dit onevenwicht in alle domeinen van de samenleving te blijven aantonen en zichtbaar te maken.

Inschakelingorganisaties op zoek naar een evenwicht: een reflectie over taal en taalgebruik.

De voorbije maanden dacht Flora samen met praktijkwerkers uit de brede inschakelingsector na over de communicatie met, maar ook in een multiculturele groep van anders- of minder talige kansarme personen. Er werd gezocht naar manieren om bij het (aan)leren van een taal en haar codes een gezond evenwicht te bewaren tussen de noden van de opleidingsorganisatie en die van haar doelgroep. Op basis van de verscheidene denk- en inleefmomenten met de praktijkwerkers trachten we een eerste voorzichtige antwoord te formuleren op vragen m.b.t. bijvoorbeeld de voorwaarden tot een optimale communicatie, de plaats van een vreemde taal (en haar codes) in opleidingsorganisaties, rekening houdend met hun doelstellingen en prioriteiten, enz.

We geven in dit artikel de meest interessante ideeën en vragen m.b.t. de rol van taal en taalgebruik in een inschakelingcontext weer.

« Bonjour et bienvenue dans le cours de français… »

Met deze woorden nodigde Flora de Nederlandstalige praktijkwerkers uit om zich even in de situatie van hun anderstalige cursisten te verplaatsen. Ze werden meegesleept in een les Frans waar hen werd gevraagd uitsluitend Frans te spreken. De verrassing was compleet, de spanning duidelijk voelbaar! Hoewel de inleefoefening slechts 20 minuten duurde, weekte ze heel wat vragen en inzichten los. Deze gaven aanleiding tot een aangename – want in de eigen moedertaal – discussie waarin de praktijkwerkers hun dagelijkse ervaringen (gezichtspunt begeleider) kruisten met wat ze ervoeren en voelden tijdens de inleefoefening (gezichtspunt doelgroep).

Taalbeheersing: noodzakelijk om efficiënt te functioneren binnen een opleiding of beroep?

Heel vaak is (een betere) kennis van de Nederlandse taal een belangrijke doelstelling, niet alleen voor de inschakelingorganisatie, maar vaak ook voor de cursisten zelf. Ongeacht hun werksoort of doelpubliek, stellen de meeste inschakelingorganisaties een goede beheersing van het Nederlands voorop (1). Een goede taalkennis bevordert immers niet alleen het succesvol afleggen van een opleidings- of werkervaringstraject, maar ook – meer algemeen – een vlotte integratie in de samenleving. Tal van inschakelingorganisaties hanteren het Nederlandse taalniveau dan ook als één van de belangrijke selectiecriteria om personen aan te werven of door te verwijzen naar één of ander voortraject (inburgering, taal, …). Wat betreft de opleidings-, werkervarings- en tewerkstellingsorganisaties is het duidelijk dat deze pas ‘lonen’ als ze aandacht hebben voor het aanleren van de officiële taal…en dit op een efficiënte manier. Maar hoe moet dit dan?

“Bij ons mag alleen Nederlands worden gesproken.”

De plaats die de Nederlandse taal inneemt, verschilt naargelang de aard van de organisatie, het type van cursus en/of het soort doelstellingen die men nastreeft. Organisaties waar exclusief Nederlands wordt gesproken, legitimeren dit op verschillende manieren:

- de opleidingsplaats is de enige plaats waar de cursisten in contact komen met de Nederlandse taal en waar ze deze bijgevolg kunnen (leren) spreken;
- ook op de werkvloer zal enkel Nederlands worden gesproken;
- de uitgelezen manier om een taal te leren, is een volledige onderdompeling in deze taal (taalbad);
- het Nederlands is de enige gemeenschappelijke taal op de opleidingsplaats.

Taalkennis wordt hier voornamelijk verbonden met de inschakelingdoelstelling. Cursisten dreigen hierdoor eenzijdig herleid te worden tot productieve wezens, die zich zo snel mogelijk moeten inschakelen op de arbeidsmarkt. Een te strakke gerichtheid op productieve arbeid echter, kan leiden tot paradoxale situaties, waarbij personen die zich willen inschakelen, nog tijdens de opleiding hun zelfvertrouwen verliezen (zelfarbeid) of in conflict gaan met andere cursisten en/of de begeleider (sociale arbeid). Hoe kunnen we deze paradoxen vermijden en tegelijk toch voldoende ‘productief’ zijn?

“Ik was mezelf aan het verliezen. “

In een context waarin ons gevraagd wordt om ons in een andere taal uit te drukken, lijkt onze houding t.a.v. anderen te veranderen. Er kan zelfs worden gesteld dat onze identiteit verandert met de taal die we spreken, niet alleen omdat taal ons denken en kijken naar de wereld op een bepaalde manier structureert, maar ook omdat ons vertrouwen en onze assertiviteit vermindert als we ons moeten uitdrukken in een taal die we nog niet (helemaal) machtig zijn: als ik de woorden niet ken, zal ik me (misschien) minder inspannen om mee te doen of me uit te drukken. Het beeld dat ik (mezelf) voorhoud, verschilt bijgevolg van het oorspronkelijke beeld dat ik van mezelf heb of geef. Dit kan leiden tot heel wat frustraties, die op langere termijn waarschijnlijk zullen verdwijnen met het aanleren van de taal. Op korte termijn, kunnen deze frustraties worden opgevangen door terug te vallen op andere uitdrukkingsvormen, die minder verbaal zijn.

Het spreken in een taal die men niet kent of niet voldoende machtig is, kan tegelijk ook erg destabiliserend zijn. Cursisten hebben bijgevolg nood aan een vertrouwde en veilige omgeving, waarin ruimte is voor de eigen taal. Bij het aanleren van nieuwe dingen grijpt men immers gemakkelijk terug naar de eigen moedertaal, naar een referentiekader waarmee men vertrouwd is. Denk aan de nood om zich verbonden te voelen met andere personen (die dezelfde taal spreken) en aan de tijd die men nodig heeft voor het complexe mentale proces om van de ene taal naar de andere over te schakelen…en terug. Wanneer geen (mentale en/of fysieke) ruimte wordt gegeven aan de moedertaal van de cursisten, kan dit hen enerzijds opzadelen met een schuldgevoel, omdat ze in eerste instantie toch blijven teruggrijpen naar de eigen taal. Anderzijds kan een (te) beperkte ruimte voor de mentale vertaalslag naar de eigen taal en terug, een leerproces ernstig belemmeren.

Het verbod op het spreken van de moedertaal kan ook worden ervaren als een vorm van agressie, meer nog een aanslag op de integriteit. Integriteit in beide betekenissen van het woord: (integer) mijn moedertaal is een deel van mezelf, wanneer ik deze niet mag spreken, vervreemd ik bijgevolg van een deel van mijn eigen identiteit. (Oprecht, eerlijk) Maar ik kan me ook schuldig voelen omdat ik een andere taal spreek dan die van het land (of de opleiding). Dit schuldgevoel bevestigt opnieuw mijn gebrek aan zelfvertrouwen.

“Het verbod om Nederlands te spreken, maakte me erg nerveus…ik ondervond het als een heuse aanslag op mijn persoon. “

Hoewel niemand het nut van de Nederlandse taalkennis in twijfel trekt, kan het verbod op het spreken van de eigen (moeder)taal leiden tot relatieproblemen met de begeleider of met de rest van de groep. Het is niet toevallig dat men het heeft over de ‘dominante taal’. Taal kan immers machtsrelaties – en dus ook conflicten – genereren tussen personen die de taal beter machtig zijn en zij die minder kennis van de taal hebben, ongeacht of deze personen nu opleiders of cursisten zijn.

Zo kunnen er in gemengde groepen waarvan slechts een aantal cursisten de officiële taal als moedertaal hebben bijvoorbeeld conflicten ontstaan, omdat enkel zij hun eigen – want officiële - taal mogen spreken tijdens de pauzes en de anderen niet, tenzij stiekem als er niet gecontroleerd wordt… Er kunnen ook conflicten groeien tussen de cursisten en hun begeleider, aangezien deze laatste wordt gezien als een buitenstaander, die controle uitoefent en – onrechtstreeks – dus macht heeft over de groep. Wat er ook van zij, het is belangrijk communicatie niet alleen te zien als een uitwisseling van inhouden, maar ook als een relationeel en emotioneel gegeven: taal is altijd ook relatie.

Opleiden: garanderen van een evenwicht tussen de roep naar resultaten en de (inter)persoonlijke noden van begeleider en cursisten

Er bestaat niet één wonderrecept voor dé ideale communicatie… elke organisatie kent een eigen context met eigen doelstellingen en dit geldt ook voor de verschillende cursussen die worden georganiseerd. Het is echter van groot belang dat zowel de organisatie als haar begeleiders zich bewust zijn van de mogelijke risico’s en paradoxen die een eenzijdige focus op productiviteit en efficiëntie met zich meebrengen; het is de missie van inschakelingsorganisaties om een zeker evenwicht te bewaren tussen resultaatsverbintenissen, sociale doelstellingen en persoonlijk welzijn van de personen die men tewerkstelt of opleidt.

Betekenis geven aan de praktijk

Opdat de regels in een organisatie of een cursus zin hebben, is het interessant om even (opnieuw) stil te staan bij de context waarin inschakelingorganisaties zich bevinden. Inschakeling gaat om vorming, opleiding en voorbereiden op de arbeidsmarkt . Het gaat (nog) niet om tewerkstelling op de arbeidsmarkt an sich (2). Net zoals de relatie tussen een begeleider en zijn cursisten niet dezelfde is als deze tussen werkgever en werknemer, dienen (taal)regels van een opleidingsplaats niet noodzakelijk overeen te komen met de (taal)regels uit een arbeidsreglement. Natuurlijk kan niet om het even wat worden toegelaten. Het lijkt ons in ieder geval belangrijk om telkens opnieuw de betekenis van elke regel en praktijk expliciet uit te leggen, de legitimiteit ervan te bevestigen (door ze te bevragen) en de verschillen die – op het niveau van de (taal)regels – tussen de organisatie en de buitenwereld bestaan te benoemen.

Zin geven aan doelstellingen

Zoals reeds gesteld, mag werken aan taal niet ontbreken in een sociaal en professioneel inschakelingtraject. Maar hoever moeten of kunnen we hierin gaan? Welke plaats neemt taal écht in op de arbeidsmarkt of in het leren van een beroep, het gesprek bij aanwerving buiten beschouwing gelaten? Besteden we niet te veel aandacht aan algemene taalkennis en kennis van vaktermen? Het is belangrijk om deze vragen niet uit het oog te verliezen en zich als begeleider of organisatie telkens opnieuw duidelijk te positioneren.

Creëren van een veilige en vertrouwde omgeving

We stelden reeds dat het spreken in een taal die men niet voldoende kent, erg destabiliserend kan zijn en dat de cursisten bijgevolg nood hebben aan een vertrouwde en veilige omgeving. Het is daarom van essentieel belang om zowel op het niveau van de opleiding als dat van de organisatie een vertrouwensrelatie te creëren met de cursisten. In dit kader, en om misverstanden te vermijden, is het belangrijk dat de opleider regelmatig nagaat of de – inhoudelijke en relationele – boodschappen die hij of zij overbracht, wel als dusdanig zijn begrepen (laten herformuleren). Ook dient de opleider voldoende aandacht te besteden aan de manier waarop hij of zij inhouden overbrengt (houding, gebaren, intonatie, non-verbaal gedrag, …).

Naar de autonomie van de cursisten

Het lijkt ons interessant om tijdens een opleiding ook stil te staan bij het aanleren van een bepaalde (taal)houding, (taal)attitude, waardoor de zelfredzaamheid en het zelfvertrouwen van de cursisten versterkt worden. Samen met hen kan worden nagegaan, welke acties ze zelf kunnen ondernemen als ze bepaalde woorden (of gebaren) niet kennen of begrijpen. Een aantal pistes om de interpersoonlijke communicatie te verbeteren en zo te komen tot een meer duurzame inschakeling: zich op verschillende manieren leren uitdrukken (gebaren, beelden, …), durven zeggen dat men iets niet begrijpt, durven om hulp vragen…

Naar een erkenning van de diversiteit

Spreken van een officiële taal impliceert dat deze taal een groter gewicht heeft dan de andere talen. Maar, net zoals het voor een vlotte communicatie noodzakelijk is om een gemeenschappelijke taal te erkennen, is het even belangrijk om ook de andere, vreemde taal te erkennen en waarderen: ieders taal is evenveel waard, maar in deze streek zijn we beperkt tot één of twee officiële en administratieve talen. In Brussel en Vlaanderen Nederlands spreken, opent niet alleen deuren naar nieuwe relaties, informatie en participatie aan het sociale, culturele, professionele en zelfs politieke leven. Nederlands spreken geeft ook toegang tot een gemeenschappelijke taal die iedereen begrijpt en waardoor niemand – ongeacht zijn afkomst, moedertaal of rol in de organisaties – wordt uitgesloten.

Ondanks het grote belang van de Nederlandse taal, lijkt het ons interessant dat in de mate van het mogelijke gezocht wordt naar een gezond evenwicht tussen officiële taal en moedertaal. Ruimte geven aan de moedertaal van anderstalige cursisten – hoe miniem ook – zal een verschil maken; het erkent de (identiteit van de) andere persoon en ontdoet deze van de impliciete druk die door de dominante taal wordt opgelegd.

Meer algemeen kunnen we stellen dat de kans op een goed begrip van wat gezegd wordt, zal toenemen met de aandacht die men heeft voor de verschillende manieren van leren, van informatieoverdracht en van communiceren (diversiteit in communicatiemiddelen)

Bij het denken over communicatie tenslotte, durft men al eens de rol van culturele codes over het hoofd zien. In ons spreken, hanteren we codes waarvan we ons niet altijd bewust zijn, maar waarvan het belangrijk is ze te kennen, om te begrijpen wat gezegd wordt. Iedere samenleving, iedere tijd en cultuur heeft haar eigen codes. Om misverstanden en frustraties te vermijden, is het aan te raden om de codes , die niet alleen op de arbeidsmarkt en in de samenleving, maar ook in de eigen organisatie of opleiding als vanzelfsprekend worden beschouwd, te expliciteren. Dit zal enerzijds helpen om elkaar beter te verstaan, anderzijds om het eigen gedrag beter (leren) af te stemmen op de context.

Naar een duurzame sociale inschakeling

In de eigen organisatie kunnen de cursussen in groep een goede aanleiding zijn om ruimte te creëren voor interculturele en/of inter-persoonlijke ontmoetingen waarbij een interculturele dialoog tussen de cursisten onderling, maar ook met de begeleider kan worden opgezet. Concreet kunnen begeleiders er bijvoorbeeld voor zorgen dat personen van verschillende culturen geregeld naast elkaar komen te zitten in de les, dit zal de solidariteit, het samenhorigheidsgevoel en het wederzijds begrip alleen maar ten goede komen. Het zal ook de personen die eerder de neiging hebben om op bekend terrein te blijven, aansporen om hun grenzen te verleggen.

Door – via het gebruik van verschillende talen en codes – te zoeken naar een evenwicht tussen de doelstellingen van de cursus (productieve arbeid), de motivatie, het zelfbeeld en –vertrouwen van de cursisten (zelfarbeid) en de relaties tussen cursisten en/of begeleider (sociale arbeid)… vergroot de kans dat de ontmoetingen tussen cursisten en/of begeleiders ook tijdens de informele momenten worden voortgezet (duurzaamheid), d.i. voorbij de grenzen van de (officiële) taal.

(1) Of voor de Franstalige organisatie van het Frans: de uitwisselingen rond taal werden zowel langs Vlaams als Waalse zijde georganiseerd. Voor alle duidelijkheid hebben we het in dit artikel over de Vlaamse context.

(2) Dit zijn vormings-, opleidings- en werkervaringsprojecten. We hebben het in dit artikel niet over de situatie van tewerkstellingsorganisaties (bijv. sociale werkplaatsen).

Sofie Giedts
Isabelle De Vriendt