Het team van Flora heeft een analysekader ontwikkeld waarin een algemene visie op arbeid en levensloop wordt geschetst. Dit kader is ontstaan vanuit eerdere onderzoeksprojecten van Flora, o.a. Jump en Managment ES-change. Het laat toe om de complexiteit van levenslopen en meer specifiek de socio-professionele inschakeling van laaggeschoolde vrouwen in kaart te brengen. Het kader wordt voortdurend verder ontwikkeld en bijgestuurd vanuit de verschillende projecten en vanuit discussies met onze lidorganisaties. Op de Netwerkvergadering van 13 september ll. werd dit kader besproken met de lidorganisaties en werd het getoetst aan de praktijkervaringen van twee organisaties. Een weergave van deze uitwisseling vindt u verder in dit nummer.
Probleemcontext
Maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling en maatschappelijke integratie van laaggeschoolde vrouwen (en mannen) focussen in eerste instantie op loonarbeid. De achterliggende redenering is dat als mensen in kansarmoede (eerst) een job hebben, het inkomen dat ze hiermee verwerven hen (vervolgens) in staat zal stellen om – in de vrije tijd – ook op andere vlakken (aan sociaal leven, cultuur, sociocultureel werk, …) te participeren. De ervaringen van het netwerk Flora tonen aan dat de duurzame inschakeling van laaggeschoolde en/of kansarme vrouwen complexer is dan dit model suggereert. Het beleid berust op een impliciet denkkader dat vaak geen recht doet aan de reële noden en mogelijkheden van de vrouwen, noch aan de reële uitdagingen waarmee de organisaties op het terrein zich geconfronteerd zien. Flora beoogt dan ook een meer pertinent kader te ontwikkelen voor besluitvorming, onderzoek en ondersteuning inzake participatie van laaggeschoolde vrouwen aan
arbeidsmarkt en samenleving.
Een analysekader: gendervisie op arbeid en levensloop…
Het analysekader geeft de algemene visie van Flora weer op ‘arbeid en levensloop’. Het laat toe om de complexiteit van levenslopen en meer specifiek de socio professionele inschakeling van laaggeschoolde vrouwen in kaart te brengen.
Het model is opgebouwd uit twee assen:
- De synchrone as: de analyse op een gegeven moment in de tijd.
- De diachrone as: de analyse doorheen de tijd.
Binnen de synchrone as wordt onderscheid gemaakt tussen de vier functies van arbeid die nodig zijn om de samenleving goed te doen functioneren:
- Productieve arbeid: heeft als functie de productie van goederen en middelen voor het verhogen van financiële welvaart en materieel comfort.
- Reproductieve of zorgarbeid: de zorg voor oudere en jongere generaties, opvoeding van kinderen, zorg voor naasten, mantelzorg, huishoudelijk werk…
- Sociale arbeid (burgerschap, sociaal netwerk, engagement, vrijwilligerswerk, …): zich deel voelen van een groter geheel. Het creëren van verbondenheid is belangrijk voor het functioneren van de democratie (het verlies van sociaal contact leidt bvb tot ondemocratisch stemgedrag, ‘verzuring’).
- Zelfarbeid: het investeren in eigen welzijn en gezondheid, ontplooien van talenten…; de functie van deze vorm van arbeid is vrij duidelijk: als iedereen depressief of ziek is, kan de samenleving niet goed functioneren.
De vier vormen (functies) van arbeid kunnen zich in diverse contexten afspelen:
- in de privé-sfeer (informeel),
- binnen min of meer gestructureerde, maar nietformele contexten (bvb vrijwilligerswerk, verenigingsleven, buurthuis)
- binnen een sterk geformaliseerde (economische) context (bvb arbeidscontract…).
Productieve arbeid vindt overwegend in een formele economische context (bedrijven) plaats; de productie van goederen is er zeer efficiënt georganiseerd. Iemand die thuis eten maakt of een tuinhok timmert, produceert echter ook iets. De andere vormen van arbeid spelen zich overwegend in de privé-sfeer of in de niet-formele sfeer af, maar worden evengoed ‘vermarkt’ en in loonarbeid vertaald. De zorgarbeid wordt dan bvb georganiseerd via kinderopvangdiensten, bejaardentehuizen, huishoudhulp, strijkateliers…
Voor de sociale arbeid (participatie) en de zelfarbeid staan o.a de cultuursector en het sociocultureel werk in, maar ook de welzijns- en toeristische sector. Door het ‘vermarkten’ van de zorg- en andere functies komen ook deze binnen een productiviteitslogica terecht; de activiteiten moeten dan immers een financiële meerwaarde opleveren. Vandaar dat ‘loonarbeid’ in wat volgt grosso modo gelijkgesteld wordt met ‘productieve arbeid’, ook al kan het gaan om de ‘productie’ (van goederen en diensten) in de sfeer van de zorg, de sociale arbeid of de zelfarbeid1.
Een bepaalde activiteit kan verschillende vormen (functies) van arbeid belichamen.
- Op individueel niveau: iemand die bvb groenten kweekt in de tuin, kan dit doen om zich te ontspannen (zelfarbeid), om zijn/haar gezin mee te voeden (zorgarbeid), om mee te nemen naar een straatbarbecue (sociale arbeid) en/of om winkeluitgaven te besparen (productieve arbeid).
- Op maatschappelijk niveau: in het kader van een betaalde job kunnen ook andere vormen/functies van arbeid geïntegreerd worden. Naast de ‘productiviteit’ van een werknemer kan er ook aandacht zijn voor zelfarbeid (vorming en welzijn op het werk, talenten kunnen ontplooien, gevaloriseerd worden, zingeving…) en voor sociale arbeid (goede contacten met klanten en/of collega’s, teamoverleg, teambuilding…). Ook kunnen bedrijven in hun werkorganisatie ruimte maken voor de zorgarbeid van de werknemers (combinatie arbeid – gezin).
Het is voor iedereen belangrijk om de vier vormen/functies van arbeid een plaats te kunnen geven, maar dit hoeft niet voor iedereen op dezelfde wijze of in dezelfde context te gebeuren. Mensen die een job hebben waarin ze hun talenten en sociale
contacten ten volle kunnen ontplooien, hebben niet persé nood aan verenigingsleven of socio-culturele activiteiten na het werk. Of men kiest voor een zeer ‘stresserende’ job (dus met weinig welzijn op het werk) omdat die een hoog loon oplevert en zo toelaat om ambities op vlak van de andere arbeidsvormen waar te maken (bvb een zeiljacht kopen om met het gezin te reizen). Op individueel niveau dient – afhankelijk van de eigen noden en mogelijkheden –een evenwicht te worden gezocht tussen de verschillende vormen van arbeid. Ook op maatschappelijk niveau dienen de vier vormen van arbeid opgenomen te worden en dient er een goede balans te zijn tussen de verschillende vormen van arbeid.
Binnen de diachrone as van het model wordt de aandacht gevestigd op de veranderende verhouding tussen de diverse vormen/functies van arbeid doorheen de tijd. Op maatschappelijk niveau kan dit te maken hebben met ontwikkelingen zoals vergrijzing, migratiebewegingen of socioeconomische ontwikkelingen. Door de vergrijzing kan bvb de nood aan zorgarbeid meer op de voorgrond treden; dit noopt tot het zoeken naar een nieuwe evenwicht tussen de verschillende functies. Op individueel niveau hangt dit samen met verschuivingen in levensfasen (met of zonder kinderen, enz…) maar ook met gebeurtenissen die in het leven ingrijpen. Naargelang het levensfase of levensomstandigheden kunnen mensen de diverse vormen/functies van arbeid in verschillende mate opnemen. Wie kleine kinderen heeft, heeft bvb meer nood aan ruimte voor zorgarbeid. De mogelijkheid om doorheen de levensloop op dit vlak telkens opnieuw ‘keuzes’ te kunnen maken, is een belangrijke bron van welzijn. Niet iedereen wil kinderen hebben, of carrière maken…. Sommige mensen willen het krijgen van kinderen uitstellen om eerst carrière te maken, terwijl anderen graag op jonge leeftijd kinderen krijgen en pas voluit in loonarbeid te investeren eens de kinderen groter worden.
… om de maatschappelijke realiteit aan te toetsen
De samenleving valoriseert de verschillende vormen van arbeid op onevenwichtige wijze.
Ten eerste wordt in de economie, in de politiek en de ruimere samenleving de term ‘arbeid’ doorgaans verengd tot ‘loonarbeid’. Als men zegt dat iemand ‘werkt’, wordt bedoeld dat hij/zij een job heeft. Bovendien wordt die bij voorkeur georganiseerd in het kader van de zgn. ‘reguliere’ economie, dat wil zeggen in bedrijven die het genereren van winst voor privé-aandeelhouders als doel hebben en niet van overheidsmiddelen afhankelijk zijn. Dat brengt met zich mee dat vooral ‘productieve’ arbeid, voor zover die zich in de formele economie afspeelt, als volwaardig erkend wordt. De andere vormen van arbeid worden daarmee impliciet als ‘niet-arbeid’ afgedaan, of als invulling van de ‘vrije tijd’ beschouwd.
Loonarbeid wordt daarenboven nog eens op een specifieke manier ingevuld; enerzijds gaat men uit van een “standaard” werknemer; de ‘ideale’ werknemer is de ‘kostwinner’, die voltijds werkt, en alle zorgtaken aan de partner overlaat, hij/zij is voltijds beschikbaar voor de loonarbeid. Andere vormen van arbeid (en dan vooral zorgarbeid) brengen immers met zich mee dat hij/zij op bepaalde momenten minder beschikbaar of minder productief is.
De diverse vormen van arbeid zijn (nog steeds) ongelijk verdeeld zijn tussen de seksen: vrouwen nemen het grootste deel van de zorgarbeid op zich, en passen dus niet in het model van de kostwinner. Ze hebben dan ook minder toegang tot volwaardige loonarbeid en tot gelijke lonen.
Anderzijds gaat men uit van een “standaard” levensloop (diachrone dimensie), namelijk met een eenvoudige driedelige indeling: na het onderwijs en/of opleiding vindt een transitie plaats naar een lange periode van continue, voltijdse tewerkstelling, die eindigt in pensionering. Sociale rechten (vb pensioen) zijn gebaseerd op dergelijke ononderbroken carrière. De vrouwelijke levensloop daarentegen is gekarakteriseerd door transities en alternerende fases, met alle gevolgen van dien voor de opbouw van sociale rechten (én pensioenrechten).
Ten tweede kan men ook een ongelijke valorisering van de diverse vormen van arbeid opmerken wanneer men de verschillende functies van arbeid in loonarbeid (sectoren) giet. Jobs in de schoonmaak of de personenzorg worden veel minder betaald en gewaardeerd dan de jobs in ‘productieve’ sectoren.
Dit maakt de cirkel rond: vrouwen met zorgarbeid geraken moeilijker in de productieve sectoren (want beantwoorden niet aan het kostwinnersmodel), en indien ze loonarbeid verrichten, komen ze vaker terecht in sectoren die ‘zorg’ vermarkten
(poets, personenzorg, …), die slechter betaald zijn. De arbeidsomstandigheden en lonen maken de combinatie met de eigen zorgarbeid zeer moeilijk (onregelmatige uren, men verdient niet genoeg om zelf huishoudhulp te betalen, weinig gevaloriseerd, weinig teamwerk…). Zo kunnen vrouwen het gevoel krijgen dat hoewel ze hard werken, hun situatie toch niet verbetert. Wie houdt zoiets vol?
Ook het arbeidsmarktbeleid raakt weinig aan de structurele mechanismen, maar wordt tot een ‘activeringsbeleid’ gereduceerd. De werkloze worden aangespoord om zich ‘bij te scholen’ om aan de productiviteitseisen te voldoen. Zo wordt hen de boodschap gegeven dat ze uit hun kansarme situatie moeten zien te geraken door hun kwalificaties en arbeidsattitude te verbeteren. Impliciet wordt hiermee dus gesteld dat hun marginalisering ‘aan henzelf ligt’. Deze culpabiliserende boodschap versterkt hun vaak al negatieve zelfbeeld, en werkt eerder ontmoedigend. Dit noemen we de ‘paradox van de activering’; Men kan dan wel stellen dat een loon hen de mogelijkheid zal bieden om maatschappelijk te participeren , aan sociale en zelfarbeid te doen, maar door de eenzijdige focus op de productiviteit heeft men eigenlijk ook het omgekeerde effect. Een perfect vicieuze cirkel!
Analyse vanuit de marge
De versmalling van arbeid tot productieve (loon)arbeid, en de wijze waarop die in functie van de ‘reguliere’ economie georganiseerd wordt (kostwinnersmodel), heeft een aantal maatschappelijke gevolgen. Zo is het voor iedereen moeilijk om werk en arbeid te combineren, en leidt de productiviteitsdruk voor heel veel mensen tot een toename aan stress op het werk. De cijfers inzake burn-out, depressie en stress zijn ontnuchterend. De overheid voert wel een aantal maatregelen in om de combinatie arbeid-gezin te ondersteunen, maar die raken niet echt aan de oorzaken van het probleem, maar verzachten eerder de symptomen. Daarmee bereiken ze vooral de middenklasse; dienstencheques of ouderschapsverlof bvb zijn nog te duur voor de
doelgroep. Laaggeschoolde vrouwen hebben minder middelen om oplossingen te vinden voor het probleem van de ongelijke verdeling en waardering van arbeid. Door hun ‘marginale’ situatie als uitgangspunt te nemen, dwingen we onszelf dan ook om naar de onderliggende mechanismen te kijken, en ons niet blind te staren op ‘oplossingen’ die het probleem zelf onaangeroerd laten. Dat een dergelijke analyse uiteindelijk in het belang is van iedereen, mag uit het voorgaande duidelijk geworden zijn.
1. Dit heeft enkel te maken met overwegingen van tekstuele aard, en betekent geenszins dat we ons aansluiten bij de visie dat alleen ‘loonarbeid’ productief zou zijn. Het is evenwel ook zo dat wanneer men bvb over ‘productiviteitsdruk’ spreekt, dit naar de loonarbeid verwijst; om een
deconstructie van het gangbare kader te maken, zullen we dus toch geregeld van de gangbare terminologie gebruik moeten maken, zonder dat we evenwel de normatieve connotatie ervan willen overnemen.