Hoe vergaat het vrouwen die niet geselecteerd werden voor een kwalificerende opleiding (in het kader van een socio-professionele inschakeling/SPI) ?
Vanaf het ontstaan van de SPI-sector is de kloof tussen het aantal beschikbare plaatsen en het aantal aanvragen steeds groter geworden. Er zijn uiteraard wel sectoren waar aanbod en vraag min of meer overeenstemmen, maar in de sector van de personenhulp stijgt de vraag exponentieel, terwijl het aantal beschikbare plaatsen op een lineaire manier toeneemt.
Aangezien het aantal beschikbare arbeidsplaatsen zelf ook op een lineaire manier toeneemt, is het logisch om het aantal opleidingsplaatsen eveneens lineair te verhogen. Maar door het feit dat opleidingen een officiële stap in een inschakelingstraject geworden zijn, is het selectieprobleem verschoven van de werkgevers naar de opleidingscentra.
De werknemers van inschakelingsorganisaties zitten dus gevangen in een paradoxale situatie. Enerzijds doen ze het werk van de werkgevers, maar anderzijds willen ze dat doen volgens andere criteria en op een andere manier. Ze dragen zo de afschuwelijke last van “neen” te moeten zeggen tegen een toenemend aantal personen. Een van de vragen die opdoken bij de werknemers van COBEFF (Brussels Centrum voor kwalificerende opleidingen gericht op personenhulp) luidde “Wat gebeurt er met deze mensen? Wat doen ze met dat ’neen’?”
Dankzij een vervanging voor een zwangerschapsverlof besloot COBEFF in november 2006 om Catherine Meurisse aan te werven, een ervaren maatschappelijk assistente die net haar licentie Sociale Wetenschappen had gehaald. Zij kreeg de opdracht om te onderzoeken wat er gebeurt met de mensen die afgewezen worden tijdens het selectieproces van COBEFF. In dit artikel geven we u de belangrijkste conclusies mee van haar onderzoeksbevindingen en we sluiten het artikel af met een aantal eigen bedenkingen.
Het onderzoek
De methode
Het doel van het onderzoek bestond erin om inzicht te krijgen in de verschillende hindernissen die mensen moeten overwinnen om toegang te krijgen tot een opleiding. In dit kader veranderde de onderzoekster de vraag “wat gebeurt er met de vrouwen die ’neen’ te horen kregen?” in “hoe wordt de institutionele afwijzing ervaren door de vrouwen die zich kandidaat stelden?” Het gebruik van ’hoe’ scheen meer openheid te creëren. Het ging om een kwalitatief en hoofdzakelijk inductief onderzoek.
Een groep vrouwen kreeg een brief, waarin werd aangekondigd dat ze uitgenodigd zouden worden voor een gesprek/interview. De steekproef bestond uit personen van wie het dossier niet verwees naar ’objectieve’ criteria zoals ’kennis van het Frans onvoldoende’, ’ beschikt over een diploma HSO’, ’is niet komen opdagen’, … maar veeleer naar ’subjectieve’ criteria zoals ’geen zichtbare motivatie’, ’moeilijke integratie in de groep’, ’weinig participatief’, etc… Vanuit die optiek werden er 100 dossiers geselecteerd uit alle opleidingen van 2003 tot 2006. Uiteindelijk hebben 30 personen toegestemd in een gesprek. (38 personen waren telefonisch niet te bereiken om hun medewerking te verkrijgen, 23 personen konden zich niet vrijmaken voor een interview, 3 weigerden, 6 andere hadden toegestemd, maar verschenen uiteindelijk niet op de afspraak).
De 30 personen die werden geïnterviewd vormen een interessante steekproef vanwege de grote diversiteit. Het gaat om personen met verschillende leeftijden, uit verschillende opleidingen, met verschillende nationaliteiten, 2/3 van hen zijn vrouwen met kinderzorg… Statistisch gezien verschilt deze groep dus niet van de groepen vrouwen die wel geselecteerd werden voor een opleiding.
De invloed van een afwijzing op het vlak van inschakeling
Als COBEFF “neen” zegt dan heeft dat gevolgen voor hun inschakelingsparcours en voor hun relatie met de VDAB, OCMW, RVA enzovoort. De reacties op de afwijzing kunnen op een continuüm worden geplaatst met aan de ene kant ’afhaken’ en aan de andere kant ’hervatten’.
6 personen haakten duidelijk af w.b. hun inschakelingsparcours (20%)
De onderzoekster stelt enkele gemeenschappelijke punten vast: “Het gaat om eenzame vrouwen, ze behoren tot de laagst geschoolden uit onze steekproef, ze beschikken over een leefloon of over geen inkomen en leven in armoede (met typische kenmerken zoals een ongezonde woning en geen vaste verblijfsvergunning)”. Anders gezegd, de “vrouwen zijn niet echt geïntegreerd en bevinden zich al in een sfeer van uitsluiting”.
Verschillende elementen illustreren de wanhoop en het isolement van deze personen. Ze weten niet welke inschakelingsinitiatieven er zijn en hoe ze er toegang toe moeten krijgen. Het gevolg is een onrustwekkend afhaken en immobilisme. In één geval leidde de negatieve spiraal zelfs tot het verliezen van de werkloosheidsuitkering.
Deze personen beschikken dus over een vrij beperkt cultureel en sociaal kapitaal. Ze geven de indruk dat ze alles hebben ingezet om roulette te spelen en dat ze het weinige dat ze bezaten verloren hebben, waardoor ze helemaal geblokkeerd raakten.
17 personen situeren zich tussen afhaken en hervatten (57%)
Deze mensen bevinden zich niet in een totaal immobilisme, maar aan de andere kant slagen ze er niet in om op lange termijn een positieve dynamiek te ontwikkelen (geen echt arbeidscontract bijvoorbeeld). Ze stoppen veel energie in het omgaan met de mislukking na de afwijzing. Daardoor laten ze zien dat socio-professionele integratie een proces is en geen toestand. Afhankelijk van het moment waarop de personen bevraagd werden, voelen ze zich nu eens gelaten en dan weer strijdbaar. Het proces zelf is moeilijker af te bakenen en te evalueren. Maar uit wat ze zeggen blijkt duidelijk dat hun situatie niet definitief is.
Deze mensen hebben een vrij stereotiep beeld van instellingen. Beginnen met een opleiding is voor hen hetzelfde als terug naar school gaan. Deze symbolische verwarring zorgt voor onbegrip omtrent het selectieproces en de gevraagde participatie. Hoe kunnen ze begrijpen dat ze “mislukt zijn” hoewel ze “geslaagd zijn” voor hun “examen” (test kennis Frans)? Zolang ze geen antwoord krijgen op deze vraag, kunnen de vrouwen de diepere betekenis van het “neen” niet begrijpen en verwerken. Dat ontneemt hen de positieve energie die hen zou kunnen helpen om het opnieuw te proberen.
7 personen bieden wel enig weerwerk (23%)
Het zijn de mensen die beschikken over een cultureel en sociaal kapitaal dat groter is dan gemiddeld. Ze worden gesteund door hun familie en hun vrienden, ze slagen erin om hun weg te vinden in de instellingen om andere oplossingen te zoeken en ze proberen opnieuw (“Deze keer zal het de goede keer zijn”).
Samengevat beklemtoont de onderzoekster de volgende voorwaarden voor wagen van een niewe poging:
-
een actieve houding tegenover een inschakelingsproject ;
-
een individuele wil om niet te vervallen in passieve bijstand ;
-
weten hoe toegang te krijgen tot institutionele hulpmaatregelen ;
-
persoonlijke steun en het bestaan van een sociaal netwerk ;
-
niet willen toegeven aan een verlammend sociaal determinisme ;
-
individuele veerkracht.
De invloed van een afwijzing op het vlak van het identiteitsproces
Een identiteitsconcept omvat een dubbele existentiële vraag : Wie ben ik in de maatschappij ? Welke plaats neem ik hierin in? De plaats wordt daarbij o.a. bepaald door de socio-professionele situatie van het individu in het economische veld.
Ook hier gaat het om een evoluerend proces, waarbij de gebruikte termen verwijzen naar een bepaalde fase in dat proces.
De bevraagde personen kunnen we wat betreft hun aanvoelen van deze afwijzing op een continuüm plaatsen met een ervaring van “pech” aan de ene kant en het zien als een “ervaring” aan de andere kant.
Pech!
Alle bevraagde vrouwen behoren jammer genoeg tot sociale groepen die gestigmatiseerd worden louter omdat ze een leefloon trekken, een andere etnische en culturele afkomst hebben, mislukt zijn op school, in armoede leven, en vrouwen zijn. Deze stigmatisering kleurt hun relatie met de wereld De uiterlijke tekenen ervan hebben dus een directe, vaak negatieve, invloed op de betrekkingen van onze respondenten met de buitenwereld. En als ze in hun levenstraject een obstakel tegenkomen, versterkt dit op een perverse manier hun gevoel van onmacht en onvermogen om dit obstakel te overwinnen. Voor deze vrouwen is het “neen” van COBEFF een existentieel obstakel.
Bij sommigen versterkt het “neen” hun eigen gevoel van nutteloosheid. Ze beginnen zich te schamen (“zelfs voor zo’n eenvoudige opleiding van COBEFF ben ik niet goed genoeg…”).
Dat is een zware aanslag op hun zelfvertrouwen. Ze voelen zich individueel verantwoordelijk voor hun situatie.
Van de 30 bevraagde vrouwen zijn er 11 die expliciet of onrechtstreeks zeggen dat ze zich schamen.
Ervaring
Ruw geschetst kan de groep respondenten worden onderverdeeld in twee subgroepen :
-
zij die wachten : 12 personen ;
-
zij die bewegen : 18 personen.
Maar afwachten, passiviteit, immobilisme, ontbreken van persoonlijk initiatief staan niet in het woordenboek van onze hedendaagse maatschappij. Met de woorden van Ehrenberg: “De wereld heeft de spelregels veranderd. Gedaan met gehoorzaamheid, discipline, morele correctheid, tijd voor flexibiliteit, verandering, reactiesnelheid enz. Zelfbeheersing, psychische en affectieve soepelheid, actievermogen zorgen ervoor dat iedereen zich voortdurend kan aanpassen aan een steeds veranderende wereld die onstabiel is, tijdelijk, en bestaat uit een komen en gaan van stromen en trajecten”.
Zo’n situatie plaatst iedereen voor zijn eigen verantwoordelijkheid, de maatschappij verklaart hem schuldig omdat hij niet aangepast is en verplicht hem om zich in te schakelen en zich aan te passen. Het is dus niet verbazingwekkend dat wie ’verliest’ zichzelf gaat zien als een ’uitgeslotene’…
Om een afwijzing te kunnen omzetten in een bron van ervaring moet men toegang hebben tot de gebruiksaanwijzing. Men moet de elementaire gedragscodes om te kunnen functioneren in onze maatschappij kennen.
Er kunnen belangrijke verschillen in interpretatie voorkomen : enkele voorbeelden …
| De betekenins van de woorden: | Voor de professionelen | Voor bepaalde kandidaten |
| Participeren | Laten zien dat je actief bent, alert, dynamisch en betrokken… | - Antwoorden als mij een vraag gesteld word (anders ’lijk ik wel een aap’) - Nieuwsgierigheid tonen voor nieuwe zaken (niet voor bekende zaken). |
| Gemotiveerd | Getuigen van leergierigheid | Aanwezig zijn |
| Geïntegreerd | Laten zien dat je de culturele gedragscodes kent en/of wil leren kennen | De taal beheersen |
Deze voorbeelden bevestigen dat het sociaal kapitaal voor de kandidaten een belangrijke factor is om hun mislukking te kunnen omzetten in een ervaring (in plaats van in pech).
Samengevat kunnen we met de onderzoekster stellen dat :
Pechfactoren kunnen voortkomen uit ’onbegrip, een negatief beeld, een gevoel van schaamte en nutteloosheid, een mislukt initiatief’.
Dat kan als gevolg hebben : ’een terugplooien op zichzelf, passiviteit, sociaal isolement en de stopzetting van een inschakelingstraject’.
Ervaringsfactoren kunnen betrekking hebben op ’kennis van de gedragscodes, correct gebruik van middelen en op zoek gaan naar instrumenten en kennis, door na te denken over wat gebeurd is, door bescherming van de eigenliefde, door actieve participatie.’
Dat kan als gevolg hebben : ’allerlei actiesporen, aanpassingen […], een open kijk op de wereld en een hervatting van het inschakelingstraject.’
Terug naar de vraag : “Hoe wordt de institutionele afwijzing ervaren ?”
Uit de beschrijvingen hierboven zou men kunnen afleiden dat er op twee manieren kan gereageerd worden :
Ofwel beschouwt de persoon de institutionele afwijzing als een persoonlijke en sociale breuk/afwijzing.
Ofwel wordt de begrepen en aanvaarde afwijzing een motor voor de kandidate.
Gelukkig kon deze tweedeling wat afgezwakt worden doorheen de ontmoetingen. Deze tweedeling weerspiegelt eigenlijk een duale maatschappij, met aan de ene kant de armen die vast zitten in hun ellende, en aan de andere kant de sterken die de middelen hebben om zichzelf te redden… Zo’n tweedeling rechtvaardigt stilzwijgend een natuurlijke maatschappelijke ongelijkheid. Het is eng en houdt geen rekening met de heterogeniteit van situaties, de verschillende belevingen en verhalen, nog met de menselijke rijkdom die zich niet in enge concepten laat opsluiten. Het doet geen recht aan eigen (andere) meningen of aan de reflectie en interpretatie van die vrouwen op die “neen”.
Vragen
Tijdens allerlei ontmoetingen bleek dat er niet alleen vragen werden gesteld die de organisatie COBEFF aanbelangen, maar ook ruimere noden werden geformuleerd die verder gingen dan het domein van COBEFF:
-
politieke vragen :
-
meer opleidingsplaatsen ;
-
een vlottere overgang tussen opleidingen ;
-
meer financiële steun voor en tijdens de opleiding ;
-
druk uitoefenen op werkgevers om hen ertoe te bewegen de waarde van de getuigschriften te erkennen ;
-
meer en betaalbare kinderopvang…
-
pedagogische vragen : verkorten van de termijn tussen het eerste contact en het meedelen van de beslissing (voor de meesten onder hen staat een lange termijn gelijk met een aanvaarding).
Het gesprek met Catherine Meurisse was voor deze vrouwen “een ontmoeting, een gebeurtenis in hun gewone leven, een piekmoment waarbij aandacht aan hen wordt geschonken”. Het feit dat hun mening openbaar wordt gemaakt in een rapport geeft aan het gesprek een bijzondere waarde. Dit versterkt hun zelfvertrouwen, maar ben je ermee als zo’n gesprek geen concrete oplossingen biedt?
Tijdens de opendeur dagen bij COBEFF die volgden op deze gesprekken, zijn 8 vrouwen die alle contact verbroken hadden, opgedaagd om het opnieuw te proberen. Hoe hun traject verder verloopt, weten we op dit moment nog niet.
En Flora
Het onderzoek van COBEFF biedt een gedetailleerde, heldere kijk op een gebeurtenis in het leven van kansarme vrouwen. Deze gerichte focus kan ook het analysekader van Flora verduidelijken, vooral wat betreft de dimensie ‘zelfarbeid’ en het feit dat het onmogelijk is om dit werk te doen in bepaalde levensomstandigheden. In 2007 deed Flora onderzoek naar de toegang tot pensioen voor achtergestelde vrouwen. Daaruit bleek onder meer dat er veel factoren zijn die het levenstraject van deze vrouwen beïnvloeden, maar het feit dat er een of meer personen in hun omgeving waren die hun project of hun attitude waardevol vonden, bleek bijzonder positief te zijn. Dat bevestigt dat zelfrespect kan worden opgebouwd via allerlei ontmoetingen en dat het een belangrijk element is in een inschakelingstraject.
Door aldus stil te staan bij een bepaald moment in het leven van een beperkt aantal mensen, zoals het geval was in het onderzoek van COBEFF, is het moeilijk om rekening te houden met de sociaal-economische realiteit waarin deze gebeurtenis plaats vindt. Ondanks de bereidheid om alles in maatschappelijk perspectief te zien, blijven we daardoor steken in een individualistische visie op inschakelingstrajecten. Het systeem wordt op bepaalde concrete punten (kinderopvang, te lange termijn) in vraag gesteld, maar niet in zijn geheel. We zouden ook nog andere vragen kunnen stellen :
-
Waarom is het middenveld “de opleidingsplaats” voor een kansarm doelpubliek ?
-
Waarom hebben de mensen geen werkzekerheid als ze de school verlaten ? Waarom houden werkgevers zich niet meer bezig met de opleiding van laaggekwalificeerd personeel ?
-
Waarom aanvaardt het middenveld om de selectie te doen ?
-
Hoe kan het middenveld zich verdedigen als het de selectie anders opvat op basis van dezelfde criteria als de werkgevers ?
-
Hoe omgaan met de paradox van tegelijk aan inclusie en aan selectie te doen ?
-
Hoe zorg je ervoor dat de vrouwen ook werkelijk de “omdat” horen en niet enkel de “neen”?
Grote vragen waarop niet onmiddellijk antwoorden bestaan, maar die wel kunnen leiden naar nieuwe denksporen.